Het is stil in huis. De jongens slapen en ik open mijn laptop. Dit is hét moment, deze rust moet ik benutten. Voordat de babyfoon een beroep op me doet. Ik denk na over stilte, over mijn onvervulde verlangen daarnaar.
Wie had gedacht dat deze man ooit boeken zou schrijven over rust en stilte? Ik niet. Constant ben ik in gevecht met enerzijds mijn gedrevenheid en anderzijds mijn hart, dat rust en stilte zoekt.
Wat een herrie en drukte zal het geweest zijn op het tempelplein! Zie je het voor je? Loeiende koeien, schapen die blaten. De bange beesten werden meegetrokken naar de slachtbank.
"Wat ben jij stil," zeiden mensen vroeger tegen me. En af en toe doen ze het nog steeds. Vroeger vond ik het vreselijk. Ik had een hekel aan mijn stille kant. Ik wilde niets liever dan zo extravert mogelijk zijn.
Rust. Stilte. De wind horen ruisen en de regen tegen je raam horen slaan. Met een bakkie thee kan ik dan heerlijk voor me uit staren en nadenken over m'n leven. In wat voor seizoen leef ik nu eigenlijk?