In onze nuchtere westerse maatschappij heeft het onderwerp ‘dromen’ vaak een negatieve lading. Denk maar aan uitdrukkingen als ‘dromen zijn bedrog’ en ‘blijf maar lekker dromen’.
Afgelopen zomervakantie logeerde onze kleinzoon van vier een poosje bij ons. Voor dag en dauw was hij wakker, en zodra hij de eerste tekenen van ons ontwaken waarnam, klauterde hij in ons bed.
Jakobus, een biologische (half)broer van Jezus, was een leraar van het soort waar ik in mijn middelbareschooltijd echt fan van zou zijn geweest. Iemand die zijn lessen lardeerde met voorbeelden.
‘Daar heb ik nou helemaal niks mee.’ De vrouw die naast me zat tijdens de kerkdienst fluisterde die woorden, maar haar verbeten toon sprak boekdelen. We hadden zojuist het Onze Vader gebeden.
Ik ben absoluut geen evangelist, maar ga een gesprek over het geloof nu ook weer niet uit de weg. Zeker niet als iemand mij er op de vrouw af een vraag over stelt.
Hoewel het op veel punten mank gaat, spreekt het mij altijd wel aan om Gods liefde voor ons te vergelijken met de liefde van ouders voor hun kinderen. Als het goed is, is die niet verbonden aan voorwaarden.