Even kijk ik naar de sleutel die zwaar in mijn hand ligt. Ben je sure? vraag ik voor de zoveelste keer aan mezelf. Achter mij klikken de gordels op hun plaats. Ik check de spiegels. ‘Mam, ga jij rijden?’ vraagt Tweede Zoon.
Al zesenveertig jaar zeg ik dat ik een christen ben. Het begon met plechtig mijn hartje aan de Heer geven. Elke zondag. Steeds opnieuw. Want ik wist nooit helemaal zeker of ik het wel goed had gedaan.
Angst; vroeger dacht ik dat dat iets was wat in de loop van de tijd vanzelf zou verdwijnen. Als ik groot was, zo veronderstelde ik, zou ik niet meer bang zijn. Niet voor spinnen en niet voor monsters onder mijn bed.
Doodgaan. Ongewild speelt dat woord de laatste tijd vaak door mijn hoofd. Niet omdat ik nu zo graag wil sterven, maar omdat de dood overal op de loer lijkt te liggen, om vervolgens toe te slaan.
Sinds ik een paar jaar geleden met een binnenlandse vlucht een storm heb meegemaakt, ben ik bang voor vliegen. Ondanks het feit dat ik weet dat mijn angsten overtrokken zijn, ben ik bang dat we neerstorten.