"Wat ben jij stil," zeiden mensen vroeger tegen me. En af en toe doen ze het nog steeds. Vroeger vond ik het vreselijk. Ik had een hekel aan mijn stille kant. Ik wilde niets liever dan zo extravert mogelijk zijn.
Op een rustige morgen, als de wind door de bladeren van de bomen ruist, is het stil in kamp Westerbork. Toeristen slenteren over het terrein, fietsers slingeren over het pad, tieners op excursie hangen in het gras.
Mijn dochter en ik leren veel van elkaar. Ik leer haar zeggen 'appel' en 'bal', zij leert me om er met plezier naar te kijken. Ik leer haar drinken uit een beker, zij leert mij om geduldig te wachten tot ze het opheeft.
Hij ligt naast me op mijn bureau: een zilveren ring met een groep nepsteentje. Hij ziet eruit als een gratis kermisring, maar de waarde ervan is groot. Een Pakistaans meisje schoof hem zomaar om mijn vinger.
Als ik je 's morgens knuffel en je nog even tegen me aan kruipt. Dan eer je me. Als je lacht en je een twinkeling in je ogen krijgt. Dan eer je me. Als je mijn handje pakt om samen te gaan wandelen. Dan eer je me.
De wekker gaat. Ik sta op, kleed me aan, poets mijn tanden en stijl mijn haren. Ik eet, ik drink en ik smeer brood. Ik ruim op, maak schoon en lees voor. Ik fiets, ik werk en verdien mijn brood. Elke dag.