‘Kijk mam.’ Voor mij staat Oudste Zoon met op zijn uitgestoken handpalm een dode vlinder. ‘Die lag in mijn kamer.’ Voorzichtig streelt hij de zachte, vaaloranje vleugeltjes en voelt hij aan de pootjes.
Ooit liep het leven over van spontaniteit. Van impulsieve dagjes weg, tot spontane filmavonden, maar vooral: ontmoetingen. Het leven was leuk en dat vierden we met elkaar. At the moment. Genieten!
Daar zit je dan. Met je mooie, blauwe, sprankelende ogen. Je kleine handjes ontspannen op mijn knieën. Je blote voetjes recht vooruit. Toen we naar boven klommen, riep je al enthousiast ‘ijbaan, ijbaan’...
Er zijn van die momenten dat ik ons kroost overzie en denk: nou, meid – manlief inbegrepen – die opvoeding staat aardig op de rails. Er wordt fatsoenlijk gegeten. Ze zeggen tegen de volwassenen u.
Hoe leef jij als christen in een wereld zonder God? Met deze vraag ga je in dit dagboek door middel van korte overdenkingen en creatieve uitdagingen aan de slag, aan de hand van het Bijbelboek Ester.
Lieve babyzoon. Nee, eigenlijk al een peuter. Wat vliegt de tijd. Wat genieten we hard. Van wie en hoe jij bent. Van je wankele pootjes waarmee je op avontuur gaat, om te eindigen in de armen van mama.
Hij zegt het als de trein van de rails rijdt. Als hij geen snoepje krijgt. Of als zijn broertje iets afpakt. Hij zegt het als hij naar bed moet. Z’n jas moet ophangen. Of gewoon als hij er zin in heeft. Potjandorie.
We zitten op het nieuwe brandweerdekbed in de kamer van zoons. Op rechts kijkt Oudste Zoon mij behoedzaam aan. Om zijn oren speelt een glimlach. Zal ze weer? Op links buldert Tweede Zoon het uit.
Voor de derde keer in een paar minuten vraag ik mij af of dit slim is. Ze zijn nog zo klein. Hun breintjes beperkt. Oudste Zoon veegt zijn tranen weg. De vraag of hij wat zachter wilde praten, was te veel.