Met mijn kinderen stond ik een paar jaar geleden voor de ingang van een mooie Italiaanse kerk. Voordat we erin gingen, zei ik hun dat ze stil moesten zijn. Daarna liepen we naar binnen.
Rust is in onze maatschappij steeds meer een verloren kunst geworden. We hebben de ouderwetse waarden van rust vervangen door een razende leefsnelheid die onze hartstocht en passie langzaam verteert.
Het is in de stiltecoupé. Je weet wel, dat gedeelte van de trein waar je met een beetje geluk een speld kunt horen vallen. Tenminste… dat is de bedoeling. Vaak is de stiltecoupé niet stil.
Hoe sneller, hoe beter; het zou mijn motto kunnen zijn, want ik ben dol op snel (en altijd in voor beter). Snel naar het dorp, om boodschappen te doen. Snel een lunch in elkaar flansen. Kortom: niets fijner dan snel.
Afgelopen weken dacht ik na over het thema van deze 'Zomer': rust. Hoe zou ik ‘rust’ kunnen definiëren? ‘Rust’ omschrijven, betekent haar kunnen vasthouden in mijn gecontroleerde wereldje.
‘Even wachten, hè? Pas oversteken als mama bij je is. Ja, ga maar. Nu even zoeken waar de lift is. O, daar, duw jij op het knopje? Nu moeten we wachten tot die beneden is.’ Even later: ‘Geef je fiets maar aan mama.’