Als ik ergens mee zit, heb ik het daar niet graag over met anderen. En ook mijn angsten houd ik liever voor mezelf. Daardoor weten niet veel mensen het als het niet zo lekker gaat met me. Maar mijn moeder is een ander verhaal.
Hebreeën 11 begint als volgt: Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien. Om hun geloof werden de mensen uit vroeger tijden geprezen. (vers 1-2)
Kom… Een uitgestoken hand, een woord van welkom, een welgemeende uitnodiging. Gods Woord staat er vol mee, met het verzoek om te komen. Een oproep om je leven een andere richting te geven. Een uitnodiging om Jezus te volgen.
Heb je je weleens verplicht tot iets waarvan je later besefte dat er nog meer verplichtingen aan kleefden? Ik wel. Mijn man en ik hadden onze zoon eens beloofd dat hij een reptiel mocht kopen als hij genoeg geld verdiend had.
Je kent het spreekwoord wel: hoop doet leven. Het betekent dat je volhouden kunt, zolang er nog perspectief is en mogelijkheden zijn. Eigenlijk zegt Paulus in deze tekst ook zoiets. ‘Verblijd u in de hoop.’ De rijkdom van het geloof houdt in dat een kind van God nooit zonder hoop is.
Als moeder van vier dochters liep ik regelmatig de route van huis naar school. Halverwege woonde een jonge moeder. Dagelijks liep ik langs haar huis en ik kreeg sterk het gevoel dat ze het zwaar had. Daarom besloot ik voor haar te gaan bidden als ik haar huis passeerde.