Oma worden is een gunst; oma zijn een hele kunst, luidt een bekende tegeltjeswijsheid. En het moet gezegd, er zit een kern van waarheid in.
De dag dat mijn eerste kleinkind werd geboren, staat me nog helder voor de geest. Na urenlang gewacht te hebben op het verlossende telefoontje, volgde al snel het moment dat ik mijn kleinzoon voor het eerst vasthield en ervoer dat er met de geboorte van dit kind diep in mij iets nieuws was geboren – een grootmoeder. Die nieuwe titel ging gepaard met een heel scala aan gevoelens en voorrechten. Liefde, bezorgdheid en plezier; oppassen, stoeien en verwennen, om er maar een paar te noemen.
Zo ideaal als ik het ervaar, ook nu onze kleinkinderschare inmiddels is uitgegroeid tot drie, is het helaas lang niet altijd. In veel families is het grootouderschap een competitiewedstrijd om de populariteitsbeker, en even zo vaak zijn grootouders amper of helemaal niet in beeld. En waar de een grootmoeder wordt, voelt een ander opnieuw de pijn van het ongewenst kinderloos zijn ‒ ze is nu immers ook ongewenst kleinkinderloos.
Maar de vrouw die zo bevoorrecht is een rol te mogen spelen in het leven van haar kleinkinderen wacht een mooie taak. Zij mag, puttend uit de ervaring die ze heeft opgedaan tijdens het grootbrengen van haar eigen kinderen, spreken in wijsheid of zwijgen in liefde. Ze mag haar kleinkinderen haar onvoorwaardelijke liefde en aandacht geven. Ze mag genieten, intenser wellicht dan destijds. En ze mag opnieuw een generatie voorleven hoe rijk het is om een kind van God te zijn.




