‘Mam, het was een bijzondere dag op school.’
‘Jazeker, jullie hadden feest in groep 3.’
‘Nee, nog belangrijker. Ik heb verkering!’
‘Wát?!’
Met verbazing kijk ik naar mijn zoon die met een grote grijns aan de andere kant van de tafel zit. Ja, hoor, kind nummer twee heeft verkering. Het verbaast me enorm, want hij heeft het eigenlijk nooit over dit soort zaken. Maar nu zit hij helemaal trots te zijn. Vol geuren en kleuren wordt er verteld wie het is, wat ze doet en hoe de verkering tot stand is gekomen. Ik geniet.
Al eens eerder heb ik geschreven over onze keukentafel. De plaats waar veel verteld wordt. Zowel tijdens het eten, uit school en tussendoor. Het is voor mij een uitdaging en een streven om elke keer bij de keukentafel te luisteren en mee te praten. Een van mijn belangrijkste dagtaken: er zijn.
Zo na de vakantie moet ik toch echt mijn draai weer vinden. Iedereen pakt de draad en werkzaamheden op. Mijn eerste week na de vakantie bestond uit een kuur halen. Toen ik mijn bed weer op kon zoeken heb me ik vreselijk zinloos gevoeld. Om me hen zag ik allemaal moeders vliegen, draven en agenda’s volplannen. Dat deed me denken aan het verhaal van Martha en Maria uit Lukas 10:38-42. Twee zussen en twee verschillende personen. De een is praktisch en organiserend druk bezig en de ander is rustig en gefocust op haar doel. Zij zijn vrouwen, net zoals er nu ook verschillende vrouwen zijn. Omdat ik zelf niet veel kon, zag ik om me heen vooral Martha’s. Druk, druk, druk. Toch zag ik tussen de Martha’s ook Maria’s. Elk persoon is anders en er zijn ook veel gemengde Martha’s en Maria’s. Soms zou ik best wat meer Maria willen zijn en een andere keer ben ik blij dat ik even een Martha-type ben. Het heeft me aan het denken gezet: wie ben ik eigenlijk en waar ben ik mee bezig? Ik BEN er en ik wil er ZIJN. Hoe geef ik daar in het dagelijks leven draai aan?
Hopelijk worden er nog vele verhalen aan onze keukentafel verteld. Binnenkort hoop ik (eindelijk!) 30 te worden. Aan de kinderen heb ik gevraagd of ik een mooie koekjestrommel mag krijgen. Die kan ik dan na schooltijd op de tafel zetten. Het moet een symbolische trommel worden. Een het-doet-me-aan-mijn-moeder-denken- koekjestrommel. Want jij zat ’s middags op ons te wachten en konden we al onze belevenissen aan vertellen.




