Het was half 1 ’s middags toen ik met een kop thee op de bank zat. Uitgeput. De kerstvakantie lag twee dagen achter mij, zoons waren bij de gastouder, m’n bed had ik een halfuur geleden verlaten met een nu-wordt-het-toch-echt-tijd-dat-je-iets-nuttigs-gaat-doen-gevoel. Niet dat het hielp. Integendeel.
Eigenlijk wil ik het nog steeds niet toegeven… Het feit dat ik doodmoe ben van twee weken vakantie met m’n drie bloedeigen kinderen. Ik had mij er namelijk op verheugd. Was ‘eraan toe’. Had grootse plannen. En zou op 5 januari weer fit en vrolijk het werk-basisschool-peutergym-gastouderschema oppakken.
Het werd een klein fiasco. Klein, omdat ik ook heus wel heb genoten. Tussen de snotneuzen, thermometers, zetpillen – een klein drama op zich – huilbuien en nachtelijke doktersbezoeken door bedoel ik dan. Toen de vuurwerkpijlen werden afgeschoten en zoons ademloos toekeken. Toen we Fristi met een rietje dronken na een ritje met de bus. Toen ik met manlief de drie delen van The Lord of The Rings verslond, again (want The Hobbit kijk ik niet in de bios, veel te eng).
En nu ben ik aan vakantie toe. Hoognodig. Ik heb de rest van die middag dus thee gedronken. En uit plichtsbesef een maaltijd bereid. Het voelde eigenlijk een beetje als vakantie. Toch nog.




