‘Neemt u maar plaats in de wachtruimte. Mevrouw Cornelissen komt zo naar beneden.’ De portier schuift mijn paspoort terug onder het veiligheidsglas door. Ik pak het aan en loop dan verder, door het metaaldetectiepoortje, de tbs-kliniek binnen.
Omdat ik deze keer niet verder ga dan de hal, hoeven mijn tas en schoenen niet door het röntgenapparaat. Met een klik gaat de deur voor me van het slot, waarna hij weer hermetisch achter me sluit. Twee gesloten deuren scheiden me nu van de straat.
Tussen mij en de afdeling waar Chantal Cornelissen al jaren vastzit, bevinden zich nóg vier deuren die alleen opengaan als een bevoegd persoon ze voor haar opent. De vijfde deur is die van haar kamer, die ’s avonds achter haar op slot gaat. Chantal mag regelmatig een poosje naar buiten, maar toch voelt ze zich gevangen. ‘Ik kom nooit meer vrij,’ vertelde ze me, toen we een maand geleden een boswandeling maakten. Ze is nog jong, maar spreekt over haar leven alsof het al voorbij is. Dit is waar het zal eindigen.
Tenzij er een wonder gebeurt, voegde ik daar in stilte aan toe, maar het leven heeft Chantal weinig aanleiding gegeven om erop te rekenen dat haar iets goeds zou kunnen overkomen. Op zijn best was er her en der wat medemenselijkheid zonder echte verbondenheid. De paar mensen van wie ze echt gehouden heeft, leven niet meer.
Chantal groeide op bij een alleenstaande moeder. Die was lange dagen van huis en liet de kinderen aan zichzelf over. Chantal werd voortdurend getreiterd door een oudere zus die waarschijnlijk ook niet wist wat ze met haar frustraties aan moest.
Op een gegeven moment kreeg de kinderbescherming lucht van de situatie en Chantal belandde in een pleeggezin. Daar werd ze mishandeld. Ze moest er elke zondag naar de kerk, waar het vooral ging over zonde en oordeel, maar niemand leerde Chantal wie God is en hoe ze uit Zijn woord kon leren haar leven op te bouwen. Toch leerde ze God kennen. Op een avond knielde de kleine Chantal voor het bed en bad: God, als U er bent, heb ik U nodig! ‘En Hij kwam,’ vertelde Chantal me. ‘Dat was het fijnste wat ik ooit ervaren heb!’
Maar dat betekende niet dat Chantals leven van de ene op de andere dag beter werd. Haar verdere – vrijwel liefdeloze – jeugd moest ze telkens weer verhuizen, omdat haar gedrag niet begrepen werd. Door de opeenstapeling van afwijzing werd Chantal een tikkende tijdbom. Uiteindelijk volgde de explosie. Met als gevolg dat ze nu achter slot en grendel zit, zonder zicht op een betere toekomst. ‘Maar Hij is nooit meer weggegaan,’ houdt Chantal vol. ‘Ik ben nooit alleen.’
Opeens staat Chantal naast me; haar donkere haar hangt in een vlecht over haar schouder. Ik omhels haar. ‘Hoi, lieverd, fijn om je weer te zien!’ De portier doet met een glimlach de deur voor ons open. ‘Veel plezier, dames.’ Wij stappen de frisse buitenlucht in. De komende uren hebben we aan onszelf.
En terwijl we samen wandelen, bid ik dat ons contact ertoe leidt dat Chantal veel meer zal leren over wie God is. Is Jezus niet gekomen om gevangenen vrij te maken en gebroken harten te verbinden? Zelfs al zou Chantal inderdaad niet meer vrijkomen, dan nog geloof ik dat ze binnen de muren van de tbs-kliniek kan gaan bloeien. Maar wie weet, misschien heeft God veel meer in petto voor Chantal dan ze ooit heeft durven dromen…




