‘Kijk mam.’ Voor mij staat Oudste Zoon met op zijn uitgestoken handpalm een dode vlinder. ‘Die lag in mijn kamer.’ Voorzichtig streelt hij de zachte, vaaloranje vleugeltjes en voelt hij aan de stevige, harige pootjes. Minstens drie lange minuten kijkt hij naar het levenloze beestje en dan verschijnen de eerste dikke tranen.
‘Ik vind het zo zielig dat de vlinder dood is,’ snikt hij, als echtgenoot hem een stevige knuffel geeft. ‘Zullen we hem begraven?’ stel ik voor. Zoon schudt heftig van nee. ‘Zal ik een doosje voor de vlinder pakken,’ bedenkt manlief. Dat mag wel, en even later glijdt de vlinder voorzichtig van zijn handpalm in het witte, plastic doosje met watjes.
‘En als ik er telkens aan moet denken?’ vraagt Zoon met een vlekkerig gezicht van het huilen. ‘Dan kun je bedenken dat hij er zo mooi uitzag en dat hij lekker tussen de bloemetjes vloog. Misschien is hij nu wel bij de Here God aan het vliegen,’ opper ik, terwijl ik mij afvraag of die geruststelling Bijbels wel juist is.
Zoon weet het antwoord al: ‘Nee joh, hij zit toch in het doosje!’ ‘In de hemel krijgt hij vast nieuwe vleugeltjes,’ zeg ik dan, waarop Zoon antwoordt: ‘Ja, met alle kleuren van de wereld. En hartjes, en cirkels. Misschien staat er wel een clowntje op.’
Eenmaal in bed bidden we voor de vlinder en een nachtrust zonder nare-dode-vlinder-dromen. Tweede Zoon doet betrokken mee: ‘En zorgt U dat de vlinder gaat opgestaan’. Weer komen de tranen en ik zeg: ‘Zal ik het bakje vannacht maar bewaren?’ Oudste Zoon knikt verdrietig.
‘Maar dan moet je wel telkens kijken of hij nog goed op z’n watjes ligt.’




