‘Kijk nou! Kom eens hier kijken.’ Opgewonden wenk ik mijn zoontje om te komen kijken in de tuin.
‘Ik kan het niet zien,’ zegt hij, en hij klimt op een stapel stenen die nog in de tuin liggen. Meestal kan hij rekenen op een zuchtend hoofdschudden van mijn kant als hij dat doet, maar deze keer ben ik veel te veel in beslag genomen door wat ik in de tuin zie.
‘Kijk, daar!’ Op mijn hurken wijs ik een paar groene puntjes aan. Mijn zoontje, die mijn enthousiasme overduidelijk niet deelt, vraagt zich verwonderd af wat ik bedoel. ‘Dat zijn tulpen! Zie je, ze komen langzaamaan op.’ Maar hij heeft zijn belangstelling alweer verloren en scharrelt ergens anders rond. Vol verbazing blijf ik zelf nog kijken. Wat zijn het er een hoop!
Tegen het einde van de winter, als ik mijn troosteloze tuin bekijk, vraag ik me altijd weer droevig af of er dit jaar überhaupt wat gaat groeien. Zelfs de groene overwinteraars zien eruit alsof ze de moed opgegeven hebben en geen weerstand meer kunnen bieden aan de lange, donkere winter.
Maar dan draait de wind. Een zachte dag. De sneeuwklokjes lijken uit het niets mijn tuin te bevolken. En als ik mijn neus in de lucht steek, ruik ik het! De lente, hij is in aantocht! Een rondje door mijn tuin bevestigt mijn vermoeden. De takken leken doods, maar zitten nu vol knoppen, klaar om met het eerste het beste lenteweer open te barsten.
En kijk daar, een lupine, die ik vorig jaar had gepland en ten prooi was gevallen aan hongerige slakken, laat nu alweer zijn eerste groene blaadjes zien. En herinner je je die plant nog die ik vorig jaar zo bruut verplaatst had? Zelfs daar zit een groen blaadje aan. Een vers, nieuw blaadje. Ja, eentje nog maar. Maar toch, er zit nog leven in! Hij gaat weer groeien.
Overal steken de eerste groene uitlopers van de voorjaarsbollen weer omhoog. Nogmaals steek ik mijn neus in de lucht en snuif de frisse lucht op. De lente is in aantocht!
De volgende dag sta ik met mijn neus tegen de ruit gedrukt naar het druilerige, winderige weer te kijken. Het lijkt wel herfst. Maar toch als ik even mijn neus buiten de deur steek, kan ik het nog steeds ruiken. En ik zie het in mijn tuin. De takken zijn niet meer doods en kaal, maar vol verwachting. Ja, het mag nog waaien, het mag nog regenen. Het mag zelfs nog vriezen. Want één ding weet ik.
Hoelang en koud de winter ook is, er komt altijd weer een lente.




