Het is halftien en mijn man is bijna klaar om met ons meisje naar de kerk te gaan, als ons buurjongetje Nicky op het balkon klimt en de woonkamer binnenstapt. ‘Ik ga mee naar de kerk,’ kondigt hij aan.
‘Dat mag,’ zeg ik. ‘Weet je moeder het?’ Nicky schudt zijn hoofd, dus ik ga snel aan de slag: ik app zijn moeder om te vragen of hij mee mag, en omdat hij nog niet ontbeten blijkt te hebben, smeer ik snel een paar boterhammen voor onderweg.
Nicky is een van de kinderen die, zodra we hier woonden, regelmatig om iets te eten kwamen vragen. Nu schuift hij vaak bij ons aan. En terwijl ik nu de boterhammen smeer, komt onze kleine vriend bij me staan. ‘Ik heb geld meegenomen,’ vertelt hij, terwijl hij wat muntjes uit zijn zak haalt. ‘Die moet je bij de kerk in een bakje doen.’
Ik knik. ‘Weet je waar dat voor is?’
Nick weet het niet, dus leg ik uit: ‘Er zijn kinderen die in een ander land wonen, waar de mensen heel arm zijn. Ze kunnen niet naar school en hebben niet genoeg te eten. Van het geld dat jullie sparen bij de zondagsschool, kan één kind in dat land naar school en krijgt het ook elke dag genoeg te eten.’
Nicky’s gezicht betrekt. ‘O,’ zegt hij resoluut, ‘dan houd ik m’n geld zelf.’
‘Wil je niet dat het naar dat arme kindje gaat?’ vraag ik.
Hij schudt beslist zijn hoofd.
‘Dacht je dat je voor de zondagsschool moest betalen?’
Hij knikt. Blijkbaar ging hij er dus van uit dat hij moest betalen voor de zondagsschool en had hij het er in dat geval wel voor over.
‘Maar dan hou ik het voor mezelf,’ besluit hij.
‘Dat is goed, hoor,’ zeg ik. ‘Je hoeft niets te geven als je dat niet wilt.’ En ik overhandig hem zijn trommeltje met boterhammen.
Maar als Nicky even later mijn dochter haar muntje in haar zak ziet doen, zegt hij toch trots tegen haar: ‘Ik heb ook geld bij me!’ Dus misschien geeft hij het toch, om mee te doen.
Later denk ik erover na wat zijn houding betekent. Ik ken ook kinderen die juist graag willen geven. Misschien is dat gemakkelijker als je zelf overvloed ervaart, in materieel en emotioneel opzicht, maar voelt het anders als je opgroeit in een gezin waarin tekorten zijn. Toen hij net bij ons over de vloer kwam, viel hij van de ene verbazing in de andere. ‘Waarom zingen jullie?’ ‘Kun je dit eten? Dat zijn toch plantjes?’ ‘Wat is dat, bidden?’ ‘Mijn broer zegt dat jullie rijk zijn.’ En dat zijn we ook, in veel opzichten.
Nu is Nicky gewend aan de manier waarop wij leven en van zijn moeder hoorde ik dat hij thuis nu ook liedjes zingt. ‘God-liedjes’ noemt ze het. ‘Ik heb hem nog nooit zo gelukkig gezien als sinds jullie hier wonen,’ zei ze eens. ‘Hij lacht veel meer.’
Dus het begin is er. Ik gun Nicky dat hij zich ooit zo rijk voelt, dat hij vanuit zijn hart kan delen met anderen. En tot die tijd stoppen we hem vol met liefde, muziek en boterhammen. Alle beetjes helpen.




