Veel overgangsters merken dat de zwaartekracht vat krijgt op hun uiterlijk, maar bij mij gaat de boel ook vanbinnen hangen. En dan speciaal in m’n keel. Daardoor snurk ik tegenwoordig elke nacht de pannen van het dak.
Niet dat ik dat zelf merk trouwens. Maar ja, er kwamen klachten van man en zonen. De eerste keer keek ik ze ongelovig aan. Snurken? Dat doen vrouwen toch niet? En áls ze het doen dan klinkt het toch zeker vertederend? Zo’n lieftallig vrouwensnurkje waar je geen verstuikte trommelvliezen van oploopt?
Ik nam de klachten dus met een kruiwagen zout, tot… ik een keer midden in de nacht wakker schrok van een oorverslindend geronk. Welke asociale gek… dacht ik nog. Tot ik me realiseerde wie dit brute lawaai produceerde. En nee, het was niet lieftallig te noemen en al helemaal niet vertederend. Zou ik de enige vrouw zijn met deze afwijking? Gelukkig stelde Google me gerust. Ik ben niet alleen! Tien procent van de dames snurkt – en dat percentage neemt toe met de leeftijd. Van de mannen snurkt één op de zes, dus we staan op een indrukwekkende tweede plaats als het om nachtelijk gereutel gaat. We komen er alleen niet voor uit!
Een echte troost was dat natuurlijk niet. Want door mijn audioterreur sliep mijn man nog maar nauwelijks. Hij had al snel door dat een duwtje of even iets roepen geen effect had. Slapen is namelijk mijn favoriete hobby en petje af voor degene die mij op een vredelievende manier wakker krijgt. Ook oordoppen waren niet tegen me bestand. Tijdens vakanties lag ik regenwouden om te zagen in stacaravans, en daar konden de kinderen door de dunne muurtjes heen van meegenieten. Bij het ontbijt beschreven ze met rollende ogen en weidse gebaren het wild geraas van die nacht: “Het was echt een péstherrie, mam!”
Ja, ja, zo kan ‘ie wel weer.
Ik voelde me zielig, want ik kon er niks aan doen, die overgang was al niet leuk en nu was ook het hele gezin dagelijks uit z’n humeur. In de tussentijd had ik van alles geprobeerd: antisnurkpleisters, klemmetjes in m’n neusgaten, antisnurkspray, een antisnurkkussen… Niets hielp. Ja, het kussen, maar daar kreeg ik zo’n zere nek van, dat ik meteen door kon naar de kraker.
En nu is het uit! dacht ik op een dag en binnen twee weken zat ik bij de kno-arts. Die liet, zoals het een specialist betaamt, een serie grondige onderzoeken op me los. Behangen met metertjes, draadjes en sensoren worstelde ik me thuis door een onrustige nacht heen, want tja, meten is weten. Een tijdje later bracht de beste man me zelfs onder narcose, om live de exacte oorzaak van het gesnurk vast te stellen. Ik was bang dat ik in het ziekenhuis nul komma nul geluid zou voortbrengen, zoals je kiespijn bij de tandarts ook acuut over is. Maar toen ik wakker werd, vertelde de dokter met brede grijns dat ik voorbeeldig en luidruchtig had gesnurkt. Huh. Zo opgewekt hoefde hij dat nu ook weer te brengen.
Afijn, uiteindelijk bleek mijn snurkvorm goed te bedwingen met een beugel. Twee doorzichtige afgietsels die over je gebit passen en dan aan elkaar worden vastgezet. Met je onderkaak een stukje naar voren, want dan blijft je keelholte goed open. Wat zal ik er charmant bij liggen straks, met mijn roze snurkbeugel en vooruitstekende onderkaak. Maar in elk geval… weldadig stil!
Tekst: © Petra Butler




