Evelien zit in elkaar gedoken in een hoekje van de bank, gehuld in een vormeloze trui. ‘Vind je het gek dat ik langskom om te praten?’ vraagt ze onzeker, terwijl ik haar koffie op de salontafel zet. Ik vind het niet gek. Ik vind het dapper.
‘De laatste tijd denk ik vaak dat er geen hoop meer is voor mij,’ vertelt ze. Ze haalt diep adem en dan gooit ze het hele verhaal eruit. In haar kinder- en tienerjaren werd ze seksueel misbruikt door haar opa. Haar ouders wisten ervan, maar deden niets. ‘Toen ik er eindelijk iets over durfde te zeggen, kreeg ik klappen. “Vies kind!” zeiden ze.’ Tranen lopen over haar wangen. ‘Ik ben in therapie geweest en snap nu alles wat ik voel, maar ik voel me niet beter. In de kerk zeggen ze dat God van me houdt en dat ik kostbaar ben. Maar ik kan me niet voorstellen dat dat zo is. Ik voel me te vies om aan te pakken.’ Ze huilt. ‘Als ik iets waard zou zijn, zou mijn familie me toch niet zo hebben behandeld?’
Maar als het over God gaat, lichten Eveliens ogen op. ‘Ik houd van Hem! Hij is alles voor mij!’ Ze klinkt opeens verrassend warm en levendig. ‘Uiteindelijk heb ik Hem verteld wat er gebeurd is, ook al wist Hij het natuurlijk al. Daarna merkte ik dat Hij er nog steeds was. Doordat Hij bleef, ben ik nog in leven.’
‘Zou het misschien dan toch waar kunnen zijn dat Hij van je houdt?’ vraag ik.
Er verschijnt een lachje op haar gezicht. ‘Je zou het bijna zeggen, hè?’
‘Toch wel, hè? Denk je dat de negatieve gedachten over jezelf waar zijn?’
‘Nee,’ geeft ze aarzelend toe, ‘ergens weet ik wel dat dat niet zo is. Maar ik vind het moeilijk om te geloven dat ik geliefd ben.’
‘Ken je mensen die je daarbij kunnen helpen?’
Evelien weifelt. ‘Mijn buurvrouw nodigt me vaak uit, maar ik durf niet.’
‘Waar ben je bang voor?’ vraag ik.
‘Ze is zo gelukkig en mooi… Ik wil heel graag, maar ben bang dat ze, als ze erachter komt wie ik echt ben, niets meer van me wil weten.’
‘Wie ben jij echt dan?’ vraag ik zacht.
Ze kijkt zwijgend naar haar handen. ‘Niemand,’ fluistert ze na een tijdje. ‘Niets…’
‘Ik vind je leuk,’ zeg ik, als ze verder stil blijft. ‘Jouw lach, die lichtjes in je ogen… Als jij mijn buurvrouw was, zou ik ook met je willen koffiedrinken.’
Voorzichtig kijkt ze op. ‘Echt?’
‘Ja, echt. Hoe jouw familie met je omging, zegt níéts over jou. Het misbruik was niet jouw schuld. Jij was een lief meisje.’
Evelien buigt haar hoofd en snikt. ‘Denk je dat echt?’ fluistert ze.
‘Ik weet het wel zeker.’
‘Ja, hè… eigenlijk denk ik dat zelf ook. Vind je het raar als ik dat over mezelf zeg?’
‘Nee, helemaal niet. Die negatieve gedachten zijn leugens. Je hoeft ze niet te geloven. Diep vanbinnen kun je horen wat God over jou zegt, Zijn liefdevolle waarheid. Daar mag je naar luisteren.’
Evelien denkt even na. ‘Zou dat echt kunnen?’ vraagt ze met hoop in haar ogen. ‘Alleen nog de liefdevolle waarheid over mijzelf geloven? Dat ga ik proberen!’
Precies. Al het andere kan in de prullenbak. En de volgende keer dat de buurvrouw haar uitnodigt, zegt ze ‘ja’, belooft ze. Als ik haar uitzwaai, lacht ze. Ze loopt iets rechter op. Ze is sterk en moedig. Ik denk dat ze het uiteindelijk gaat redden.
![]()
Esther schreef mee aan Kom op adem, een dagboek dat je elke dag uitdaagt om je rust bij God te vinden. De stukjes zijn bewust kort en nodigen uit om even niets te hoeven, maar gevuld te worden met de vrede van God. De rode draad wordt gevormd door de namen en eigenschappen van God. Daardoor ligt de focus niet op iets dat lezers moeten doen, maar op stilte en verwondering.




