Ik sta in de schoenenwinkel in de rij voor de kassa. Voor me zegt een vrouw hoorbaar bezorgd: ‘De roltrap was wel steil hoor.’ ‘Ik durf er haast niet meer af.’ De kassière kijkt haar verbaasd aan, maar biedt dan aan dat ze wel even met de vrouw mee naar beneden wil gaan, als ik dat goedvind. Ze knikt in mijn richting. De vrouw kijkt mij bezwaard aan. Achter mij staan alweer nieuwe klanten in de rij.
‘Anders help ik u even?’ stel ik voor. ‘Ik moet toch ook naar beneden.’ En zo gaan we samen het gevaar tegemoet.
‘Ik was daar nooit bang voor,’ vertelt de vrouw met betraande ogen. ‘Maar sinds ik kanker heb wel. Stom, hè?’
‘Nee, hoor, dat vind ik niet stom! Zoiets ingrijpends kan vanzelfsprekende dingen heel anders maken,’ zeg ik. Ik herinner me maar al te goed dat ik zelf voor het eerst een roltrap af moest, zwak op mijn benen, na een lange tijd niet buiten te zijn geweest… Ik zal de laatste zijn om te zeggen dat dat stom is.
De vrouw knikt dankbaar en pakt mijn arm, terwijl we naar de trap lopen. Bovenaan verstijft ze. ‘Kom maar,’ zeg ik. ‘Eén, twee, nu!’ tel ik af, en met z’n tweeën stappen we op de bovenste trede.
Gearmd dalen we af. Intussen vertelt ze. Ze had al huidkanker, maar op de een of andere manier had ze dat redelijk aangekund. Maar de tongkanker die erbij kwam, heeft haar de das omgedaan. Onderaan de roltrap blijven we staan, een paar stappen opzij zodat mensen erlangs kunnen. Ze vertelt over een man met wie ze een ziekenhuiskamer deelde. Ze werden vrienden en hielden contact. ‘Maar vorige week kwam er een rouwkaart…’ Haar stem stokt. Ze pakt mijn hand vast.
‘Wat verdrietig…’ zeg ik.
Ze knikt. ‘Ikzelf kon geholpen worden, hoewel niet alles weg is,’ vertelt ze. ‘Maar wat ik op die afdeling gezien heb, waar mensen doorheen gaan… dat blijft me achtervolgen.’ Ze vecht tegen haar tranen.
Opeens lijkt ze te beseffen dat ze mijn hand vasthoudt. Ze laat me los en doet een stap terug. ‘Maar ik houd je niet langer op,’ zegt ze opeens, ogenschijnlijk opgewekt. ‘Jij moet ook verder.’
‘Ik heb geen haast, hoor. Zou u het fijn vinden als ik nog voor u bid?’ stel ik voor.
‘O, jazeker! Nu je dat zegt, durf ik het ook wel te zeggen: als ik God niet had gehad, had ik het niet gered. Ik ben ook wel boos op Hem geweest, hoor, toen ik al die ellende zag. Maar Hij was steeds zo dichtbij dat ik niet boos kon blijven.’
‘Denkt u dat Hij Degene is Die die ellende veroorzaakt?’ vraag ik.
Ze kijkt me nadenkend aan. ‘Wat denk jij?’
‘Zo te horen kent u Hem als liefdevol en dichtbij. Zo ken ik Hem ook. In de Bijbel staat dat de duivel komt om te roven en te vernietigen, maar dat Jezus leven en overvloed brengt. Ik denk dat God u juist wil helpen.’
Ik leg mijn hand op haar schouder en bid om troost en innerlijke rust. Als ik ‘amen’ zeg, blijft ze tegen me aan geleund staan, haar ogen dicht, een vredige uitdrukking op haar gezicht. Links en rechts van ons passeren mensen, maar zij merkt het niet. Als ze uiteindelijk opkijkt, lopen tranen over haar wangen. ‘Dit heeft zo moeten zijn,’ zegt ze. ‘Ik had de moed laten zakken, maar na deze ontmoeting kan ik er weer tegen.’
Wat bijzonder, hoe God twee van zijn dochters samenbrengt, omdat Hij zag dat deze vrouw Hem nodig had. Een kwartier later lig ik op bed, veel te moe alweer. Maar mijn dag kan niet meer stuk.
![]()
Esther schreef mee aan Jaag de liefde na, het weekboek over leven uit liefde. Het geeft inzichten in hoe liefdevol God is en wil je helpen om in je dagelijks leven te leren liefhebben. Elke week lees je een overdenking, krijg je leuke tips en ga je aan de slag met een doe- denk- of schrijfopdracht, en wat je leest, leert en ontdekt neem je vervolgens de hele week met je mee.




