Het is oudejaarsdag, bijna 2019, en ik ben in gedachten verzonken. Wat is er terechtgekomen van mijn dromen voor 2018? vraag ik me af. En hoe ga ik verder in het nieuwe jaar?
‘Esther?’ De alarmerende klank in de stem van Ralf doorbreekt mijn bespiegelingen. ‘Al mijn gereedschap en machines zijn vannacht gestolen!’
‘Wát!’ zeg ik. Die spullen, die in de loop van jaren bij elkaar gespaard zijn, zijn duizenden euro’s waard. En ze zijn noodzakelijk om na de kerstvakantie weer aan het werk te kunnen. Want een kleine ondernemer die niet werkt, zal ook niet eten.
Dan komt onze dochter eraan rennen. Ze heeft alles gehoord. We omhelzen elkaar, geschrokken, boos, verdrietig. Maar meteen is er ook de zekerheid: we weten dat de duivel nooit méér kan roven dan God kan teruggeven. Daarna inventariseren we de schade: zeker zevenduizend euro aan materiaal is weg. Een gevolg van onze keuze om te wonen in een achterstandswijk, waar het wemelt van de kleine en grote criminelen. Maar na de eerste schrik maakt dit ons des te stelliger in ons voornemen om ons hier niet te laten wegjagen. We bidden voor de dieven en zegenen ze. En – tegen ons gevoel in – spreken we ons vertrouwen uit dat God gaat voorzien.
De afgelopen weken droomde ik vaak over de overweldigende nood in de buurt. Grote en kleine mensen die van zo veel meer beroofd zijn dan van spullen. Op een nacht werd ik wakker met tranen op mijn gezicht. Ik hoorde nog de indringende kinderstemmetjes uit mijn droom: ‘Esther? Esther?’ Destiny en Kevin, die door hun moeder verlaten zijn, en nu van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat veiligheid zoeken bij mij. Vader, bad ik, het is te veel.
Namen en gezichten trokken aan me voorbij. Bedreiging en huiselijk geweld. De dakloze Johnny. Jacqueline, die tot prostitutie is gedwongen en te bang om aangifte te doen. Tommy, die een pistool heeft aangeschaft om zich te wreken omdat hij zich geen raad weet met zijn pijn. De tiener Doha, die denkt dat ze het eindelijk voor elkaar heeft nu ze zwanger is; nog even en ze zal niet meer zo alleen zijn. Maar na kinderjaren vol mishandeling en kindertehuizen, heeft ze helemaal geen emotionele basis om een thuis te bieden aan dit kindje.
Meer namen, gezichten en verhalen volgden. Ik ging uit bed en knielde huilend op de vloer in de woonkamer. Ik wil hen redden, Heer, maar hoe?
Het Licht schijnt in de duisternis. Ik herkende de stille stem van de Geest. Ja, Heer, bad ik, maar de duisternis heeft het niet begrepen. We vertellen hun over U, we bidden met hen, maar ze hebben niet genoeg aan een moment van begrip en troost. Ze hebben Uw nieuwe leven nodig, maar ze begrijpen het echt niet. Toen zei Hij: Jullie zijn het licht van de wereld.
Geleidelijk drong het tot me door: het Licht schijnt; dat is genoeg. Met Gods liefde zijn we als een baken in de nacht. Verdwaalde mensen kunnen stukje bij beetje dichterbij komen, totdat het Licht gaat schijnen in hun eigen hart.
Daarvoor betalen we soms een prijs, zoals nu. Maar betaalde Jezus niet een nog veel hogere prijs om ons te vinden? Hij zorgt wel voor die zevenduizend euro. Samen met Hem en met Zijn kinderen overal op aarde blijven we stralen – ook in 2019 – zodat in deze stad en over de hele wereld duizenden mensen die Hem nog niet kennen in aanraking zullen komen met Zijn Koninkrijk.
Dat is waarvoor ik leef en dat is mijn wens voor de kerk, Zijn bruid. Laten we stralen als schitterende sterren te midden van een verdorven en ontaarde generatie (Filippenzen 2:15, NBV), zodat mensen die in het donker dwalen, de weg vinden naar Huis.




