De deur schraapt over de vloer als hij hem met zijn schouder openduwt. De geur van varkenslijven komt hem tegemoet. Hij kan er maar niet aan wennen. ‘Zo ben je ook niet opgevoed,’ zouden zijn tantes zeggen. ‘Onreine dieren.’ Maar die tantes weten niet dat hij hier zit. Al zijn familie zit ver weg.
Met moeite sleept hij twee emmers vol met schillen het hok in. Schillen voor de varkens. Zijn maag trekt samen van de honger. In niet de mis te verstane woorden was hem duidelijk gemaakt dat het vooral niet voor hem bedoeld was. Alles voor de varkens.
Wie had ooit kunnen denken dat hij zo zou verlangen naar een emmer vol met schillen. Hoe heeft het zo ver kunnen komen?
En eigenlijk, eigenlijk verlangt hij nog geeneens naar die overdadige maaltijden die hij met zijn vrienden nuttigde. Maaltijden vol drank en plezier. Toen was het mooi. Maar wat is daarvan overgebleven? Toen het geld opraakte en er hongersnood in het land kwam, waren zijn vrienden ook als sneeuw voor de zon verdwenen. Deuren bleven dicht, uitnodigingen bleven uit. Er restte hem niets anders dan een baan te zoeken.
Maar wat hem voor ogen zweeft, zijn de feesttafels thuis bij zijn vader. Tafels vol met goed, rein eten. Daar was het gezellig. Maar toen zag hij niet hoe goed het was. Het verachtte het. Hij dacht het niet nodig te hebben. Zou hij kansen kaarten bij zijn vader verspeeld hebben? Bij zijn vader had nooit iemand gebrek. Zelfs zijn knechten hadden altijd voldoende en mochten mee-eten als er een feestmaal was.
Zou… zou heel misschien… Nee, niet meer als zoon, dat zou niet kunnen, Hij had zijn vader dood gewenst. Maar misschien… heel misschien als knecht? Als knecht weer bij zijn vader?
De tranen springen in zijn ogen. Zijn maag trekt samen; deze keer niet van de honger, maar door het sterke gevoel van heimwee. Hij laat de emmers uit zijn handen vallen. Zou het nog kunnen?
En dan neemt hij een stap, en nog een. Op weg.
Op weg naar huis.




