Sinds ik een paar jaar geleden met een binnenlandse vlucht (lees: klein propellervliegtuig in Oost-Europa) een storm heb meegemaakt, ben ik bang voor vliegen. Ondanks het feit dat ik weet dat mijn angsten volkomen overtrokken zijn, ben ik toch bang dat we neerstorten.
Om met die angst om te gaan, heb ik iets ‘bedacht’ wat meer mensen doen die bang zijn: bidden. Meer nog, ik ga in onderhandeling met God: ‘Heer, als het deze keer goed gaat, als ik deze vlucht overleef, dan ga ik me echt met hart en ziel aan U toewijden. Ik ga weer elke dag bidden en lezen in mijn Bijbel.’ Op dat moment ben ik zo serieus als het maar kan. Ik zie de toegewijde Leona helemaal voor me: ze staat elke dag een half uur eerder op om stille tijd te houden. Ze houdt de hele dag een lijntje met God. ’s Avonds voor het slapen leest ze uit de Bijbel en bidt ze, ook voor anderen.
Na een vlucht – die ik tot nu toe steeds overleefd heb – lijken met de angsten ook mijn beloftes in het niets op te lossen. Ik ga lekker door met mijn drukke leven. God komt er wel in voor, maar de ereplek die ik Hem in het vliegtuig toegedicht heb, krijgt Hij niet echt. Op een of andere manier heb ik hier nooit zo mee gezeten. Ach, het was angst, het kwam door de omstandigheden, dan roep je ook wel eens dingen die je niet waar kunt maken. Here God, dat snapt U toch wel?
Vorige week las ik in een Bijbelstudie over David (2 Samuël 21:1-9). Er is al drie jaar een hongersnood gaande in het land en God maakt duidelijk aan David dat het door een gebroken belofte van Saul komt. Saul heeft – tegen de belofte van Israël die 300 jaar daarvoor gedaan is – geprobeerd om de Gibeonieten uit te roeien. En nu komen de Gibeonieten verhaal halen bij David. Ze eisen zeven zonen van Saul, zodat zij gedood en hun lijken in het openbaar opgehangen zouden worden.
Wat bijzonder is aan het verhaal, is dat de belofte door de Israëlieten in een soort noodsituatie is gedaan (zie Jozua 9). Toen de Israëlieten Kanaän binnentrokken, waren de volken bang voor hen en probeerden met vereende krachten de strijd tegen de Israëlieten aan te gaan. De Gibeonieten hadden echter een sluwe tactiek: ze deden zich voor als een volk dat van ver kwam om met Israël een verdrag te sluiten. Jozua en zijn volk raadpleegden de Heer niet en zo zijn ze in de val gelopen. Ze hebben aan de Gibeonieten beloofd dat zij hen in leven zouden laten. Kortom: er is een belofte gedaan waarvan God in de eerste plaats niet eens had gewild dat het tot stand zou komen. Maar nu houdt God het volk Israël wél verantwoordelijk voor de daden van Saul en het breken van een belofte dat lang voor zijn koningschap is gemaakt. En de gevolgen van het breken van die belofte zijn heftig: drie jaar hongersnood en zeven mannen die dood moeten.
God neemt beloften bloedserieus (Prediker 5: 4-6). Zelfs beloften die nooit gedaan hadden moeten worden. Zelf beloften waar wij niet zo zwaar aan tillen. Of beloften die onder twijfelachtige omstandigheden tot stand gekomen zijn.
De dagen na deze studie bracht ik in een soort schok door. Ik ben alle beloften – nou ja, die ik me nog kon herinneren – die ik ooit gedaan heb maar niet nagekomen ben, langsgegaan. Beloften aan God. Aan vrienden. Aan familie. Aan mijn kinderen. Aan mezelf. Aan Sestra (deze blog had ik vorige week in moeten leveren).
Ik heb Gods genade heel hard nodig. Om mezelf opnieuw toe te wijden en opnieuw te beginnen. Het wachten is op de volgende vlucht. Of de volgende blog…




