Scheepjes vol vluchtelingen, die zinken. Orkanen, die mensen van het kleine beetje dat ze hebben, beroven. Ziektes, die lichamen zonder genade opeisen. Terroristen, die levens gewetenloos wegvagen. Baby’tjes, die zonder reden sterven. Meisjes, die worden verkocht als niets meer dan een object. Oorlogen, hongersnood, aardbevingen…
Soms wil ik niets liever dan mijn ogen ervoor dichtknijpen en niet langer kijken. Mijn handen voor mijn oren slaan en niets meer hoeven horen. Afsluiten wil ik me van de wereld, die steeds meer werelds wordt en minder mens. Minder God. Maar al steek ik mijn kop in het zand en probeer ik te doen alsof er niets aan de hand is, ik kan er niet langer omheen: de aarde stevent sneller en sneller af op zijn einde, en ik vraag me af: hoelang nog, Heer?
Hoelang nog, Heer, tot er geen baby’tjes meer sterven? Steeds weer rijst die vraag als er zo’n piepklein kistje naar het graf wordt gedragen. Op welke manier ik het sterven ook bekijk, ik begrijp niet waarom. Niet waarom U dolgelukkige ouders berooft van hun eerste kindje. Niet hoe een gezond baby’tje van de ene op de andere dag het leven kan laten. Niet waarom U zo’n prachtig mensje slechts een paar weken laat leven en het dan weer tot U neemt. Waarom, Heer? Waarom die hartverscheurende, onbegrijpelijke dood, het verdriet?
Hoelang nog, Heer, tot niemand meer hoeft te vluchten? Tot alle krakkemikkige scheepjes overbodig zijn? Diep vanbinnen weet ik dat al die vluchtelingen U aan het hart gaan, dat U huilt, elke keer als zo’n bootje de overkant niet bereikt, maar toch… Vluchtelingenstromen groeien, bootjes worden voller, dodenaantallen nemen toe en het einde lijkt nog lang niet in zicht. Heer, ik weet geen antwoorden als mensen vragen waarom U het laat gebeuren, weet niets te zeggen als ze schamperen: ‘Is dat nou een god, die zulke dingen toestaat?’
Hoelang nog, Heer, tot er geen kanker meer zal zijn, geen tumoren en infarcten? Soms probeer ik me een beeld te vormen van een wereld zonder knobbeltjes en hartstilstanden, zonder rolstoelen en protheses, maar dan klinken er weer van die vlijmscherpe woorden – ongeneeslijk, nog zes maanden, kwaadaardig – die dat plaatje rücksichtslos aan flarden snijden. Op zo’n moment heb ik zin om te huilen, tot er geen enkele traan meer over is; alleen blijven ze komen, opnieuw en opnieuw, en dan schreeuwt mijn hart: Hoelang nog, Heer, tot U elke traan zult drogen, en er geen rouw en pijn en jammerklacht meer zal zijn? Hoelang moet ik nog wachten?
Hoelang nog, Heer, tot al dit aardse plaatsmaakt voor de hemel? Tot gebrokenheid het veld ruimt voor nieuw en gaaf en heel? Tot oorlog verliest en vrede voorgoed zal overwinnen? Tot duister wegsterft en licht vol triomf zegeviert? Tot de dood eens en voor altijd verdwijnt en U op de wolken van de hemel verschijnt?
Om me heen verbrandt Uw schepping en elke boom en plant roept: ‘Kom!’ Overal doorstaan Uw schepsels verdrukking en elk dier en beest schreeuwt: ‘Kom!’ Over heel de aarde lijdt Uw kudde en samen bidden ze: ‘Kom!’
God, ik vraag niet langer: hoelang nog? Ik smeek U: Kom terug! Kom spoedig, Heer!



