Ik ga recht op mijn doel af: de hemelse prijs waartoe God mij door Christus Jezus roept.
(Filippenzen 3:14, NBV)
UITLEG
‘Als christen houd je je natuurlijk verre van dingen als loterijen,’ sprak een oudere zuster tijdens de Bijbelstudie op stellige toon. Zij genoot in onze vrouwengroep een zeker aanzien, niet alleen vanwege haar gevorderde leeftijd, maar vooral ook vanwege haar onberispelijke levenswandel. In onze kring werd instemmend gemompeld; althans, daar leek het op. Zelf bladerde ik ijverig in mijn studieboekje en maakte wat aantekeningen.
Ondertussen hoopte ik maar dat de blos die langzaam via mijn hals omhoogkroop niet gezien werd, of anders voor een opvlieger werd gehouden, en ik hoopte vooral dat niemand mijn mening zou vragen. Want in dat geval zou ik moeten opbiechten dat ik de dag ervoor nog was bezweken voor het grote bord bij de ingang van de boekhandel in onze straat: Nog maar één dag om kans te maken op een van de vele prijzen! Had ik niet zojuist nog, toen dezelfde zuster een tamelijk lange uiteenzetting had gehouden over het begrip vrijheid, zitten mijmeren over wat ik zou doen als er straks een bedrag met vijf nullen op mijn bankrekening zou staan?
Er zijn veel passages waaruit duidelijk wordt hoe de zucht naar rijkdom en aardse goederen de mens ten val kan brengen. Ook Jezus werd hiermee geconfronteerd. In het evangelie van Lucas lezen we hoe iemand naar hem toe komt om raad te vragen over een erfeniskwestie. (Lucas 12:13-21) Wanneer je het verhaal leest, moet je een beetje glimlachen. Jezus heeft net een redevoering tegen zijn vrienden gehouden over angst en Gods bescherming, wanneer vanuit het niets opeens die vraag komt van een omstander. Nou ja, vraag, het lijkt meer op een commando: ‘Zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij deelt!’ Hoe weinig op z’n plaats ook, het verzoek getuigt wel van vertrouwen in het gezag van Jezus’ woorden.
Jezus geeft een nogal humoristisch antwoord, in de trant van: ‘Sinds wanneer ben ik nu ook al jurist?’ Toch neemt hij de vraag heel serieus en legt uitgebreid uit dat het in het leven om andere dingen gaat dan het verzamelen van aardse schatten. Als voorbeeld gebruikt Hij een man die, net wanneer hij zijn schuren wil gaan volproppen met graan en goederen, komt te overlijden. Wat heeft hij dus aan al die rijkdommen? Maak voor jezelf een geldbuidel die niet verslijt, een schat in de hemel die niet opraakt, waar een dief niet bij kan en die door geen mot kan worden aangevreten. Waar jullie schat is, daar zal ook jullie hart zijn, besluit Hij. Dat is wel iets om over na te denken!
Paulus geeft in zijn brief aan de jonge Timoteüs een aantal adviezen. Misschien heeft die hem eerder hierover om raad gevraagd. Paulus helpt hem het onderwerp ‘rijkdom’ te relativeren en zegt: Wij hebben voedsel en kleren, laten we daar tevreden mee zijn. Wie rijk wil worden, staat bloot aan verleiding. (1 Timoteüs 6:9) En even later eindigt hij met een woord voor hen die wel veel hebben: wees rijk aan goede daden, vrijgevig en bereid om te delen.
In het laatste vers (vers 19) lezen we dat er wel degelijk een prijs in het verschiet ligt als Paulus aan dit alles toevoegt: zo win je het ware leven. Eerder schrijft hij in zijn brief aan de Filippenzen: ik streef naar de hemelse prijs.
Een winnend lot, met voor iedereen garantie op de hoofdprijs!
NALEVEN
Ik won natuurlijk niets met mijn lot, en had vijftien euro verkwist aan een illusie. Met die vijftien euro had ik ook iets anders kunnen doen, bedacht ik met spijt. Wat boodschapjes meenemen voor die vriendin die het niet zo breed had, bijvoorbeeld. Of een leuke plant voor mijn zieke buurvrouw. Een aantal kaarten versturen naar mensen die wel een oppeppertje konden gebruiken. En ik kon de lijst nog wel langer maken.
Het probleem met geld is, dat het mensen in z’n greep houdt. (1 Timoteüs 6:6-10) Niet voor niets wordt het ‘de wortel van alle kwaad’ genoemd. Iemand die veel heeft, staat bloot aan tal van verleidingen, maar ook als je het helemaal niet breed hebt moet je oppassen er niet door in beslag genomen te worden. In Lucas 12 houdt Jezus Zijn vrienden voor zich geen zorgen te maken en op God te vertrouwen voor hun onderhoud.
Nu betrof dit wel een bijzondere situatie en denk ik niet dat we, met deze raadgevingen in het achterhoofd, meteen ons werk moeten opgeven om voortaan ‘uit geloof’ te gaan leven. Maar het is belangrijk dat er een balans is. Aan de ene kant het rentmeesterschap en onze eigen verantwoordelijkheden, aan de andere het vertrouwen op God zorg voor ons.
Wat weet ik het allemaal toch goed. Nu de praktijk nog…


