‘Ze hebben haar van me afgepakt toen ze dertien was.’ Driftig gebarend vertelt Samira mij op het bankje achter de flat over haar dochter Yasmina. ‘Voor een jaar, hadden ze gezegd, om haar gedrag aan te pakken, want ze was agressief. Nu is ze achttien en denk je dat ik haar ooit nog teruggekregen heb? Nee dus. Elke weekend zegt ze tegen me: “Mama, mag ik alsjeblieft bij jou blijven? Ik wil bij jou wonen.” Huilen, huilen, en wat moet je zeggen? “Binnenkort,” zeg ik dan. Maar binnenkort komt nooit.’ Nu is Yasmina achttien en gaat ze begeleid wonen.
‘Dus de kans is verkeken,’ leef ik mee. Samira knikt moedeloos. Ze stopt een blonde krul terug onder haar hoofddoek. Vroeger heette ze Wendy, maar heeft zich bekeerd tot de islam voordat ze met een Marokkaan trouwde.
Of de jeugdzorg gelijk had, hoef ik niet te beoordelen, maar wat een pijn om machteloos toe te moeten zien dat een systeem de macht over je kind overneemt en haar van je wegvoert. ‘Wat erg voor jullie,’ zeg ik daarom alleen maar.
‘Nu wil Yasmina nog maar één ding,’ vervolgt Samira. ‘Zwanger worden. Ze gaat met elke man die maar wil naar bed. “Dan heb ik eindelijk wat van mezelf, mam,” zegt ze. Ik probeer haar uit te leggen dat het zo simpel niet is. “Dan heb je straks een baby, en dan? Je bent pas achttien!” Maar ze luistert niet naar me.’
‘Wat moeilijk, joh…’ zeg ik.

Samira knikt. ‘Weet je,’ zegt ze dan, ‘ik ben in mijn tienerjaren misbruikt. Allah heeft me gered. Toen ik een hoofddoek ging dragen, stopte het misbruik. Daarna trouwde ik al snel. Maar mijn man sloeg me. Toen ik moest bevallen van Yasmina en mijn vliezen braken, had hij niet door wat er aan de hand was. Hij werd zo kwaad dat hij me in elkaar sloeg. Ik nam de taxi naar het ziekenhuis. Daar werd Yasmina geboren, waarna ik in een postnatale depressie belandde. Yasmina en ik kwamen pas na een jaar thuis. Hij beloofde dat het niet meer zou gebeuren, maar hij bleef me slaan.’
Ze klinkt verslagen. ‘Misschien kon Yasmina thuis wel niet goed opgroeien,’ zegt ze zacht, en dan luider: ‘Maar ze moeten niet denken dat opgroeien in zo’n tehuis beter was. Want dat was het niet!’
Inmiddels is Samira met een andere man getrouwd. Hij steunt haar niet, maar valt haar ook niet lastig. Beter dan dat heeft ze het nog nooit gehad. ‘Dus ik ben Allah dankbaar,’ besluit ze. Dan kijkt ze me een beetje verbaasd aan. ‘Dit vertel ik normaal nooit aan mensen.’
‘Nee, dat snap ik.’
‘Maar jij bent anders,’ vindt ze.
‘Dat komt doordat ik geloof dat God heel veel van jou houdt,’ zeg ik. ‘Vind je het goed als ik voor je bid?’
‘Graag!’
Ze buigt haar hoofd en ik leg mijn arm om haar schouders. Samen gaan we naar de God Die Zich ‘Vader’ laat noemen. Ik vraag Hem in Jezus’ Naam om Zijn vrede en troost voor Samira en haar gezin. De rust die neerdaalt, is bijna tastbaar.
Samira blijft even stil zitten. Dan kijkt ze op en veegt haar tranen weg. ‘Dank je wel,’ zegt ze. ‘Nu ben ik niet meer zo alleen.’




