Wees goed voor elkaar en vol medeleven; vergeef elkaar zoals God u in Christus vergeven heeft.
(Efeziërs 4:32, NBV)
BEGRIJPEN
Tijdens het ontbijt lezen mijn man en ik graag de krant. Reuze handig trouwens, die digitale versie op de iPad: nooit meer vechten om een katern; je hebt elk hetzelfde, volledige exemplaar in handen en dankzij het kleine formaat kun je elkaar ondertussen ook nog gewoon zien. Maar dit alles terzijde.
Op een ochtend lees ik het relaas van een echtpaar met een eigen bedrijf, dat met veel moeite en inspanning in tien jaar is opgebouwd en nu failliet is. Hun riante woning hebben ze moeten opgeven voor een klein huurappartementje en er loopt een aanvraag voor schuldsanering. Maar de kans dat die gehonoreerd zal worden, is erg klein, heeft men al gezegd.
Wat vreselijk, denk ik, als ik het lees. Zouden die mensen dan hun verdere leven bezig zijn die schuld af te lossen? Maar stel je voor dat… Even laat ik mijn fantasie de vrije loop.
Op een dag ligt er een envelop met het logo van de bank in de bus. Met een zucht gooit de vrouw des huizes ’m in de la. Openmaken hoeft niet; ze weet toch al wat erin staat. ‘Was er nog post?’ vraagt haar man wanneer ze ’s avonds aan de hutspot zitten. Zwijgend staat ze op en schuift ze hem de envelop toe. Ze ziet zijn ogen over de regels gaan. Zijn mond blijft halverwege openhangen. ‘Dit kan niet waar zijn,’ mompelt hij.
Zijn vrouw heft in een afwerend gebaar haar hand op. ‘Laat maar,’ zegt ze, ‘ik hoef het niet te horen.’ Ze staat op om alvast iets naar de keuken te brengen.
‘Je gelooft dit niet!’ roept haar man haar achterna. Iets in de klank van zijn stem doet haar stilstaan. Twee armen omvatten haar middel en tillen haar op alsof ze nog steeds het veertje van vroeger is. ‘Kwijtgescholden! Alle schuld is kwijtgescholden!’
Samen lezen en herlezen ze de brief. Het is waar: Restschuld: €0,00. Het staat er echt.
Ik glimlach als ik me de uitdrukking op de gezichten van het stel probeer voor te stellen. Zou je niet enorm veranderen wanneer je zoiets overkomt? Milder worden, dankbaarder, vergevingsgezinder naar anderen toe?
Opeens schiet me het verhaal te binnen dat Jezus Zijn vrienden vertelde toen Petrus een vraag stelde over vergeving. Een koning besluit dat het tijd is om zijn dienaren hun schulden te laten betalen, maar voor één van hen blijkt dat onmogelijk; de schuld is eenvoudigweg te groot. Aanvankelijk krijgt hij het bevel al zijn bezittingen te verkopen, maar als de onfortuinlijke man zich vertwijfeld aan de voeten van de koning werpt, krijgt die medelijden met hem en scheldt hem alles in één keer kwijt.
Wauw, geweldig! Je zou denken dat de dienaar vervuld van dankbaarheid en blijdschap naar buiten huppelt, maar wat doet hij? Hij pakt de eerste de beste persoon die hem iets schuldig is bij de keel en smijt hem in de gevangenis als die hem niet direct terugbetaalt. Zouden wij nooit doen. Toch?
Wanneer we ‘ja’ zeggen tegen Jezus, en Zijn offer aan het kruis aanvaarden, gebeurt eigenlijk hetzelfde: alle schuld wordt zomaar kwijtgescholden. ‘Lekker makkelijk,’ hoorde ik eens iemand smalend zeggen tijdens een tv-discussie over dat onderwerp. Ja, dat zou je misschien denken, maar dat is het nu juist niet. Het heeft eerder iets tegennatuurlijks om zoiets groots te aanvaarden zonder daar zelf iets voor gedaan te hebben. Het geeft ons een onbehaaglijk gevoel. Staat er geen tegenprestatie tegenover? Zit er geen addertje onder het gras?
Nee, maar het volgen van Jezus heeft wel consequenties, daarvoor hoef je alleen maar Matteüs 6 op te slaan; een van de opdrachten is elkaar te vergeven.
In het Nieuwe Testament komt het werkwoord ‘vergeven’ of vervoegingen daarvan maar liefst zeventig keer voor. Een mooi getal als je de Bijbelpassage van Matteüs 18 erbij pakt, waarin de vragen gesteld worden: Hoe vaak moet ik mijn broeder en zuster vergeven? Toch niet meer dan zeven keer zeker?
‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven,’ is het antwoord van Jezus. Met andere woorden: steeds opnieuw.
Vergeef elkaar zoals God u in Christus vergeven heeft, schrijft Paulus in zijn brief aan de gemeente in Efeze (Efeziërs 4:32). ‘Zoals God’, dat is toch zeker onmogelijk? Blijkbaar niet. We kunnen erop vertrouwen dat Hij ons geen onuitvoerbare opdrachten geeft. Gelukkig maar.
Opmerkelijk is dat Paulus vooral oproept tot vergeving binnen onze kring van broeders en zusters. Omdat God u heeft uitgekozen omdat u Zijn heiligen bent, en Hij u liefheeft, moet u zich kleden in innig medeleven, in goedheid, zachtmoedigheid, bescheidenheid en geduld. Verdraag elkaar en vergeef elkaar als iemand een ander iets te verwijten heeft; zoals de Heer ons vergeven heeft moet u elkaar vergeven. (Kolossenzen 3:12-13)
Paulus wist als geen ander dat ook in de kerkelijke gemeente niets menselijks ons vreemd is. Over en weer doen we elkaar pijn en verdriet; bewust of onbewust. Dan is het goed om te bedenken wat Jezus ons opgedragen heeft. Hij zei niet: ‘Nou, weet je wat, wacht eerst maar eens tot je eraan toe bent.’ Nee, Hij gaf ons simpelweg de opdracht: vergeef. Geen gevoel, maar een daad.
Zelf hebben we de vreugde mogen ervaren van die onverdiende schone lei en mogen we steeds opnieuw opnieuw beginnen. Laten we dat ook elkaar gunnen.
Gewoon doen!
NALEVEN
Nou ja, ‘gewoon doen’… Vaak is dat verdraaid moeilijk. Kijk, mijn buurman thuis, die nergens in gelooft, die weet nu eenmaal niet beter. Maar in de kerk wordt zo vaak gesproken over het verlossende werk van Jezus Christus. Bij het Avondmaal bijvoorbeeld. Iedere keer weer wordt dan benadrukt dat je met elkaar in het reine moet zijn. Maar als je ’t mij vraagt, hebben sommige gemeenteleden een ernstig gehoorprobleem. Broeder A negeert al maanden broeder B en ik weet zeker dat zuster D het nog niet heeft goedgemaakt met zuster E.
En dat terwijl Jezus Zelf zo veel over vergeven heeft gezegd! Hij heeft Zijn leven voor ons gegeven. Ik bedoel: hallo-o! Hoeveel meer is er nodig om te beseffen dat wij op z’n minst mild en vergevend tegenover elkaar moeten zijn. Ik zei ’t laatst nog tegen zuster E.
Eh… ikzelf? Ach, met sommigen ga ik gewoon niet zo graag om. Die persoon op rij drie bijvoorbeeld. Die heeft jaren geleden eens zoiets akeligs tegen me gezegd. Hè, wat krijg ik het nu opeens vreselijk warm…
GEBED
Vader, ik weet altijd zo goed hoe anderen zich moeten gedragen, maar nu houdt U mij een spiegel voor. En wat ik zie is niet zo fraai. Leer mij mild en vergevend te zijn en zo uit te dragen wat U in Uw Zoon voor ons heeft gedaan. Wat geweldig dat U zo geduldig met mij bent, Heer. Laat dat ook een van mijn eigenschappen mogen zijn. Amen.


