’s Morgens heel vroeg fietsen we naar het strand. We zijn als gemeente samen een weekend op Ameland en willen op deze kille, heldere ochtend de zon zien opgaan boven het eiland. Eenmaal op het strand aangekomen, gaat ieder zijns weegs om in stilte God te zoeken en te bidden.
Aan de rand van het water blijf ik staan, omringd door wolken, blauw, wit en oranjeroze, het nooit aflatende geruis van de branding en het strand. Ik kijk omhoog en denk aan God. Zo oneindig groot, Schepper van al dat moois… En ik, niet meer dan een stipje in dat alles. Ik kan me zomaar voorstellen dat er mensen zijn die denken dat God te groot is om Zich met ons bezig te houden.
Dan pak ik mijn Bijbel, die openvalt bij Psalm 139:9-10: Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad, al ging ik wonen voorbij de verste zee, ook daar zou uw hand mij leiden, zou uw rechterhand mij vasthouden.
Ja, besef ik, opnieuw, ook al ben ik maar een stipje in het heelal, ik mag weten dat Hij mij kent, dat Hij van me houdt. Dat Hij me hier ziet staan… Dat Hij me altijd ziet staan… Dat Hij me ziet zitten, letterlijk en figuurlijk!
En als ik verder lees in die psalm is daar opnieuw het zeker weten dat Hij mij heeft gewild en dat Hij een plan heeft voor mijn leven.
Om stil van te worden…
Hoe rijk zijn uw gedachten, God, hoe eindeloos in aantal, ontelbaar veel, meer dan er zandkorrels zijn! (vers 17-18)




