Zie je die vrouw daar in ‘De Verandering’ (EO 17-03-2012), die vrouw met die spierziekte ALS. Die vrouw in die rolstoel, die vrouw die steeds minder kan en helemaal afhankelijk is van hulp. Die vrouw die zo graag nog voor haar kinderen wilde zorgen en nog allemaal plannen had om in het onderwijs mee aan de slag te gaan, vol levenslust. Zie je haar?
Zie je haar ogen met opgewekte moed, de liefdevolle blik, de berusting. De glimlach om haar mond. Ze weet dat het niet anders is, ze weet dat ze niet lang meer hier zal zijn; hier tussen de mensen van wie ze houdt, tussen de mensen die van haar houden. De mensen die juist nu nog meer merken dat ze van haar houden. Nu afscheid nemen dichterbij komt in de aardse ongeneeslijkheid.
Ik zie haar, die op God vertrouwende vrouw.
Ik kijk en zie, door alle aanpassingen, zuurstofslangen en computergestuurde spraakmogelijkheden, die vrouw. Ik zie haar leven. Ze lacht en zingt. Ik zie haar op rolschaatsen en zwemmen. Ik zie haar verliefd worden, hoor haar muziek maken en om raad vragen. Ik zie haar chocola eten, film kijken en alweer lachen. Ik zie haar trouwen, haar trotse blik, ze is moeder geworden. Ik zie haar lijstjes maken om alles in te plannen, het werkt, ik lach. Ik hoor haar stem aan de telefoon en nog eens en alweer. Ik volg haar carrière, haar ideeën en creativiteit, ik hoor haar antwoorden op mijn vragen. Oudste of jongste, het verschil vervaagt.
Ik zie haar, die vrouw, haar lichaam, zo kwetsbaar. Haar adem verzwakt. Ik hoor haar, steeds zachter. Ik hoor heel zacht het laatste plan van mijn zus: als ik ga, ga ik met deze glimlach.
Mijn zusje was ziek en nu is ze gestorven. Wat heb ik weer gemerkt hoe verbonden je kunt zijn met broers en zussen. Hoe speciaal van kleins af aan elkaar te kennen en hoe fijn als dat door mag klinken in latere tijden, wanneer ieder een eigen leven krijgt. Tot ook de dood zijn rol opeist. Ik schreef dit over haar.




