Ilse

is getrouwd en moeder van twee jongens. Ze is dol op haar werk als bloemist, heeft veel hobby’s en geniet van het leven, en is ontzettend creatief. Dat komt tot uiting in de zogenaamde ‘family nights’: avonden waarop een Bijbelgedeelte centraal staat, met zingen, knutselen, experimenteren of een rollenspel. Ook is ze graag in de keuken te vinden en deelt ze haar belevenissen en recepten graag.

Je ziek-zijn delen

Toen ik klachten kreeg, wilde ik het niet delen. Na een tijdje moest ik het wel delen in mijn naaste kring, want al snel werd ik gemist in de kerk en ook op mijn werk en dus moest ik vertellen dat het niet zo goed ging met me. Dat ik niet meer alles kon. Op het moment dat ik in de ziektewet belandde, besefte ik dat weinig mensen wisten wat er met me aan de hand was. Dat was mijn eigen schuld, want had ik niet de schone schijn opgehouden dat het allemaal wel goed ging. Niet zwak en zielig willen gevonden te worden. Is dat niet wat we allemaal willen? Sterk zijn. Ik kan het zelf wel. Stel je niet zo aan. Doorgaan. Maar waarom mogen we onze zwakheid niet laten zien? Iets wat mij erg bezig heeft gehouden. In de Bijbel staat zelfs dat in onze zwakheid, Gods kracht zichtbaar wordt. Dus misschien wel een mooie reden om je zwakheid in bepaalde mate te laten zien, zodat God daar op Zijn manier doorheen kan werken. Er ging een knop om en ik besloot het te delen. Eerst mondjesmaat, maar na verloop van tijd ook door een berichtje in het kerkblad. Steeds meer berichtjes op mijn eigen blog en sociale media kanalen gingen over het ziek-zijn. Toen ik al een tijd in de ziektewet zat, besloot ik zelfs een brief te schrijven aan mijn collega’s en die kreeg een plekje in de kantine. Wat vond ik het ontzettend moeilijk. Zo kwetsbaar zijn. Je zo kwetsbaar opstellen. Tegelijk is het tof om te zien wat het teweegbrengt, want ineens snappen mensen wat er met je is en groot voordeel: je hoeft niet steeds van alles uit te leggen. Als jij niet ziek bent, maar aan de andere kant staat, dan wil ik je aanmoedigen. Luister, lees en leef mee! Vaak wil iemand alleen zijn verhaal kwijt en heeft die weinig aan verhalen van je tante van de buurvrouw die zo’n goede therapeut heeft. Heel lief bedoeld. Maar de zieke wil zich begrepen voelen. Dus laat zijn of haar gevoelens staan en vraag wat die persoon nodig heeft. Vaak is luisteren en er zijn al genoeg. Ben jij ziek, op welke manier dan ook? Durf het te vertellen! Je zal merken dat je op veel begrip stuit. Wees niet bang voor medelijden, maar stel je open voor medeleven. Mij heeft het veel goeds gebracht – en veel lieve kaarten in de bus. Wees sterk in je zwakheid!


Wachten

Na een lang traject van pijn en fysio en doorploeteren, diagnoses en onderzoeken, kreeg ik half maart de uitslag en mijn behandelplan. En die viel tegen. Heel erg tegen. De intensiteit ervan overviel me… vloog me eigenlijk een beetje aan. Achttien weken zou het traject gaan duren en elke week zou ik twee tot drie keer naar het centrum moeten voor verschillende tijdsduren en verschillende behandelingen. Soms een half uur en andere dagen bijna vier uur. Zwaar en pittig! Maar goed, wat moet dat moet en ik zou ervoor gaan. Ik was strijdvaardig en er helemaal klaar voor – en mee. Maar net toen alles was bezonken en ik er vrede mee had, kwam er teleurstellend nieuws: ik zou nog twee maanden moeten wachten voor ik aan de slag mocht gaan. Ik snapte het niet en aan de telefoon stamelde ik dat ook uit. Alles had erop geleken dat ik snel kon starten. Hoe kon dit nu? Nog twee maanden langer met pijn iedere dag. Nog twee maanden langer mijn leven op pauze. Nog twee maanden! Toen ik even daarna een face-to-facebespreking had, werd me een excuus aangeboden; het was niet duidelijk gecommuniceerd. Het was ontzettend druk en ze deden hun best de juiste therapeuten op de juiste patiënten te zetten. Natuurlijk zag ik daar de noodzaak van in, maar oef, wat viel dit tegen. Ik voelde me uit het veld geslagen. Inmiddels zat ik bijna drie maanden in de ziektewet en dat zou dus nog veel langer gaan worden. De daaropvolgende weken bestonden vooral uit wachten en alsof dat nog niet genoeg was, kreeg ik een stevige keelontsteking en vervolgens mijn man. En daarmee doofde het kleine vlammetje hoop weer. Hoe moesten we dit zien te redden? Maar met hulp en m’n kiezen op elkaar kwamen we erdoorheen. Weken verstreken en toen ineens werd het lente. De zon ging schijnen en de wereld werd weer wat lichter! De bomen liepen uit, prachtige bloesems waren te zien en de zon nam in kracht toe. Deze periode nam ik me voor ook veel te rusten. Dus ik was geregeld te vinden in een luie stoel in de zon. Heerlijk! Die extra vitamine D mocht komen. Terwijl ik genoot van de zon en de uitlopende natuur, mijmerde ik over Gods geweldige schepping. Ik liep door de tuin en zag dat onze appelboom al knoppen kreeg, miniknopjes in de framboos en fluweelzachte blaadjes aan alle bomen en struiken. En ik besefte: na elke winter, komt weer een lente. Ook na die van mij.


Ik ga je doorsturen

‘Ik ga je doorsturen.’ Die vier woorden wilde ik niet horen, maar ze klonken toch begin februari. Ontzet keek ik mijn fysio aan. Ik stotterde nog een beetje en zei: ‘Maar we zouden pas half februari verder kijken.’ Alsof één week nog zo veel verandering zou kunnen brengen. Nee, dat dat niet kon, besefte ik zelf eigenlijk ook wel. De huisarts had me al eerder doorverwezen naar een revalidatiecentrum, voor het geval dat. Als dan half februari besloten zou worden dat ik doorgestuurd moest worden, zat ik vast in het systeem. Toen wilde ik daar niets van weten, maar op het moment dat de woorden bij de fysiotherapeut vielen, was ik toch blij met zijn besluit destijds, want nu hoefde ik slechts twee weken te wachten op mijn eerste gesprek in het revalidatiecentrum. Als de huisarts mijn naam niet eerder had doorgegeven, had er zeker weer een maand tussen gezeten. Maar ik kon het niet helpen dat alles binnen in me tegen dit besluit verzette. Ik wilde dit niet! Ik wilde niet naar weer een nieuwe fysio, weer opnieuw mijn verhaal vertellen, weer – letterlijk – mezelf blootgeven aan een onbekende therapeut. Toen dat allemaal door mijn hoofd ging, kon ik de tranen niet meer tegenhouden; ik voelde me zo ellendig. Het voelde alsof ik niet sterk genoeg was. Dat ik het niet goed gedaan had. Gelukkig was daar mijn fysio die me liet uithuilen en me rustig uitlegde dat het niet aan mijn inzet lag. Diep vanbinnen wist ik dat ze gelijk had, maar toch… Ik wilde dit niet. Deze stap ‘vooruit’ voelde als eentje achteruit. De twee weken dat ik moest wachten, was ik zenuwachtig, boos, teleurgesteld en verdrietig. De afspraak bij het revalidatiecentrum die al stond gepland, kwam snel dichterbij en ik vond het zo spannend! De eerste pre-intake vond eind februari plaats en duurde een uur. Wat een vragen werden er op me afgevuurd. De eerste indruk was goed, fijn en veilig. Ik kreeg groen licht om door te gaan voor de ‘echte’ intake. Raar om dan opluchting te voelen, omdat je ‘slecht genoeg’ bent voor een revalidatiecentrum… De weken erna waren een soort rollercoaster die niet leek te stoppen. Een gesprek met de revalidatiearts volgde en tussendoor mocht ik me nog een keertje melden bij de bedrijfsarts, de normale fysio liep ook door en dan was er nog contact met de huisarts. En dan als laatste het multidisciplinair intake. Die afspraak duurde ruim drie uur. Eerst had ik een intake met een fysiotherapeut, bewegingswetenschapper en een psycholoog. Daarnaast wachtte er nog een stapel lijsten met duizend-en-een vragen om in te vullen. Gesloopt was ik die dag. Lichamelijk en geestelijk compleet van de kaart. Zo veel gezegd, zo veel gevraagd, zo veel nagedacht. Het duizelde me… En steeds die ene confronterende vraag: wat wil je dat ik doe voor je? Met mijn steevaste antwoord: ‘Beter maken.’ Garanties gaven ze niet; ik zou aan doelen gaan werken. Dat trof doel, want ik wilde weer helemaal mezelf zijn, maar tegelijk vreesde ik dat dat niet zou gaan lukken. Vervolgens was het afwachten op de uitslag en de tussenliggende tijd was ik gespannen, voelde ik me beroerd, was bang en wilde weten waar ik aan toe was. Diep vanbinnen wist ik dat God erbij was, maar soms voelde Hij zo mijlenver weg! Gelukkig was er dan de muziek, die me meenam – vanuit mijn diepte naar de aanbidding en weten dat Hij voor mij zou zorgen!


Nieuwe hoop

Al een heel poosje liep ik bij de fysio, maar één keer per week bleek niet langer genoeg, dus werd mijn fysiopakket opgeschroefd en zou ik twee keer per week behandeld gaan worden. Beide keren trainde ik een uur samen met mijn fysio en thuis oefende ik ook veel. Dat moest en zou me weer op de been brengen, en met het nieuwe plan van mijn fysio was mijn wilskracht weer geboren. Ik kreeg zowaar weer hoop. Dit zou goed komen! Ik zag licht aan de horizon en verwachtte veel van de komende periode. Vol enthousiasme stortte ik me op het nieuwe trainen en behandelen. Het zou goed komen, hield ik mezelf voor. Sterker nog het moest goed komen. Daarbij moest ik mezelf soms tegenhouden, want ik wilde zo graag dat ik daardoor soms bijna over mijn grenzen ging. Want hoop doet leven, toch? Het huishouden stond inmiddels op een laag pitje; ik deed bijna niks meer. Ik vouwde op mijn gemak een wasje weg. Kookte ’s avonds het eten en de rest werd eigenlijk overgenomen door mijn lieve mannen en onze ouders. Wat was ik trots op mijn mannen en hoe het liep. Januari had nog wat extra diagnoses en een second opinion in petto; deze kwamen hard binnen. Ging dit echt over mij? Was dit mijn leven? Ja, helaas was dat nu mijn leven en ze hadden het over mij en mijn lichaam. Pijnlijk, maar tegelijk fijn dat alles uitgesloten was en daarvanuit gewerkt kon worden. Daarna zakte de moed mij weer in de schoenen. Zou dit goed komen? Zou ik weer honderd procent mezelf worden? Zou ik mijn leven weer kunnen oppakken? De weken gingen voorbij en er veranderde weinig. Of nee, dat zeg ik niet goed. Ik werd door het trainen duidelijk sterker, maar minder pijn had ik nog niet. De dubbele fysio behandelingen maakten dat ik niet verder achteruitging, maar in de weken die volgden, bleek ik enkel stabiel te blijven. Die stijgende lijn waarop we zo hadden gehoopt… bleef uit. Wat nu? was de vraag. We besloten tot half februari door te trainen, behandelen en vechten en dan zouden we verder kijken. In deze tijd werd ik heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. Ik ben een persoon die van zekerheid houdt, graag weet waar ze aan toe is en dat was totaal weg. Alles was onduidelijk – en spannend. Moeilijk, vond ik dat en ik vroeg me af of ik de enige ben, die zulke dingen lastig vind. Iedereen wil toch graag wat zekerheid? Of was dit nu ‘op God vertrouwen’? Dat Hij het goed zal maken op Zijn tijd? Maar waarom snapte ik Zijn tijd dan niet? Maar ondanks alle vragen en de strijd vanbinnen, wist ik één ding: ik zou niet opgeven. Met een lach en een traan en God aan mijn zijde zou ik verder strijden om uiteindelijk op die honderd procent te komen!


Falende moeder?

Daar zat ik dan, op de bank. Heel de week. Netflix mijn grootste vriend, mijn huisbroek mijn favoriete kledingstuk, met een zeer lijf en een verdrietig hoofd… Zoals ik in mijn vorige blog beschreef, stond mijn levenstrein plots stil. Ik kwam thuis te zitten met chronische bekken en lage rugklachten. Daarachteraan nog wat ingewikkelde termen en wat extra diagnoses. Al met al viel het zwaar tegen en moest ik ineens alles loslaten. Mensen wat is dat moeilijk. De afgelopen maanden had ik alles op wilskracht gedaan, maar die was nu als sneeuw voor de zon verdwenen, dus ik moest om hulp gaan vragen om ervoor te zorgen dat ons gezin nog door bleef draaien. We vroegen de werkster – ja, een luxe, ik weet het – een keer extra in de maand te komen. Onze ouders om hulp met de kinderen en de was… Maar sommige dingen waren gewoon niet op te lossen. Zoals het feit dat mijn man tot over zijn oren in zijn werk en kerkenraadswerk zat. Dat de kinderen vaker alleen naar school of alleen naar huis moesten. Vooral dat laatste vond ik heel wat, maar het kon niet anders… En als ik daarover nadacht, voelde ik me zo falen als vrouw, als moeder, als (schoon)dochter, als vriendin, als collega… als mens. Verschrikkelijk voelde dat. Falen, omdat ik mijn rol niet kon vervullen zoals van mij verwacht werd. Maar werd dat wel van mij verwacht? Ik heb gemerkt dat het heel veel scheelde dat ik dat op een gegeven moment ben gaan aangeven hoe ik me voelde. En wat bleek? Die mensen om me heen vonden helemaal niet dat ik faalde, sterker nog, ze vonden het niet meer dan normaal dat ik een stap terug deed en zij een stapje harder. Maar mijn ogen werden pas echt geopend door mijn zoon van negen. Ik zei tegen hem dat ik me een waardeloze moeder voelde, omdat ik hem niet naar school kon brengen of kon ophalen. Daarop veranderde zijn blik en met een wijs gezicht zei hij: ‘Maar mama, je bent er toch altijd en je hebt toch altijd lekkere sap als we thuiskomen.’ Slik. Mijn tranen zaten hoog op dat moment. En wat had hij gelijk: dat je dingen even niet kunt, maakt niet dat je faalt of slecht bent. Dat was het moment dat er bij mij een knop omging. De huisbroek verruilde ik voor een leuk jurkje, ik deed make-up op, Netflix werd deels verruild voor biblejournaling en bellen met vriendinnen. Ik besloot ondanks de pijn en onrust in mijn hoofd te genieten van de kleine dingen, want die zijn er! Hoe klein je wereldje ook is, hoe rot je je ook voelt – ergens is er altijd wel iets om dankbaar of blij voor te zijn. Sommige dagen kwam ik niet verder dan dankbaar te zijn voor mijn liefdevolle Vader. Andere dagen kon ik echt genieten van die kleine momentjes. Durf te genieten van de kleine dingen!