Ilse

is getrouwd en moeder van twee jongens. Ze is dol op haar werk als bloemist, heeft veel hobby’s en geniet van het leven, en is ontzettend creatief. Dat komt tot uiting in de zogenaamde ‘family nights’: avonden waarop een Bijbelgedeelte centraal staat, met zingen, knutselen, experimenteren of een rollenspel. Ook is ze graag in de keuken te vinden en deelt ze haar belevenissen en recepten graag.

Gods timing

Eindelijk is het zover: ik mag starten met mijn revalidatietraject. Weken en maanden heb ik uitgekeken naar deze kans, deze nieuwe start. Zenuwachtig haal ik mijn tas tevoorschijn, vul een fles met water, pak een appel, stop mijn sportkleding erin… Vandaag moet ik eraan geloven. Voordat ik ga, dwing ik mezelf nog iets te eten, maar door de knoop in mijn maag krijg ik mijn bakje yoghurt echter moeilijk naar binnen. Ondertussen probeer ik me in te beelden wat ik kan verwachten. Op mijn rooster staat dat ik vandaag twee uur moet trainen. Hoe zal dat eruitzien, wat moet ik in die tijd doen, hoe zijn de mensen daar? Geen idee, en bah, wat maakt dat me zenuwachtig en onzeker. Voor ik vertrek, vouw ik mijn handen en stamel een simpel gebed. Of God mee wil gaan, verder kom ik niet. Te druk met mijn eigen gedachten. Gelukkig weet ik dat Hij, als mijn eigen woorden tekortschieten, weet wat ik nodig heb! Ik ben ervan overtuigd dat God erbij is. Dat Hij met me mee zal gaan en door de mensen heen kan werken. Maar die onzekerheid… Laatst heb ik een biblejournalingtekening gemaakt over Sara. Sara lachte toen ze de mannen hoorde vertellen dat ze volgend jaar een kind zou hebben. Ze snapte Gods timing niet, maar later zegt ze zelf dat God haar weer zal laten lachen. Maar dan van plezier en geluk. Bij deze tekst kwam er bij mij een vraag boven: snap jij Gods timing in je eigen leven? Die vraag kostte me aardig wat tranen, want nee, ik snap Zijn timing niet. Hij hoeft maar met Zijn machtige vingers te knippen om me van mijn pijn af te helpen. Wat zeg ik? Dat knippen is niet eens nodig. Dus nee, ik begrijp niets van Zijn handelen. Maar ik geloof wel dat Gods timing en Zijn wegen de juiste zijn. Zal ik ook weer lachen? En zo ja, wanneer dan en om welke reden? Is het aan het einde van mijn revalidatie? Lach ik dan met of zonder pijn? Snap ik Gods timing dan? Ik heb geen idee. Misschien doet dat er wel niet meer toe! Het is ook weer niet zo dat ik helemaal nooit of niet lach. Sterker nog ik lach veel en ben een vrolijk mens. Maar de laatste tijd ligt daar een klein waasje overheen. Ik zou zo graag weer intens kunnen genieten, vrij van pijn. Dat hoop ik de komende tijd in het revalidatiecentrum te gaan leren en stiekem hoop ik dat ik er zelfs genezing vind… Maar ik zeg samen met Sara: ‘God zal mij weer laten lachen!’ Hoe dan ook.


Hulp vragen

Kwetsbaar durven zijn over je ziek-zijn, is lastig. Maar als je die hobbel eenmaal genomen hebt, ben je er nog lang niet. Hulp vragen, wat daarop volgt, is misschien nog wel moeilijker. Een forse drempel. Wat zeg ik? Het is een enorme berg, waarvan je denkt er niet overheen te kunnen of willen. Maar je moet… Ik kwam op een punt terecht dat het echt niet meer ging om alles zelf te doen. Ouders sprongen bij. De werkster kon meer komen. Toen ik mijn rooster voor het revalidatiecentrum kreeg, zakte de moed me echter in de schoenen. Drie keer in de week naar een naburige stad, terwijl ik zelf niet mocht rijden, dus chauffeurs regelen voor de heen- en terugreis. Omdat ik ook in de schoolvakantie door zou gaan met revalideren, moest er ook oppas geregeld worden. Het heeft me heel wat schoppen, mopperen en tranen gekost, want ik wilde onafhankelijk zijn, maar de realiteit haalde me in. Ik moest om hulp vragen. Ik ervoer het als nog een stukje dieper in mijn kwetsbaarheid en zwakheid afdalen. Met veel schroom vroeg ik mensen in mijn omgeving of ze me misschien een keertje wilde rijden. Het gemak waarmee mensen ‘ja’ zeiden trof me. Het zette me aan het denken. Ik besefte dat hulp aanbieden en geven makkelijk is. Maar het vragen is enorm zwaar. Waarom? Heb jij daar ook zo’n moeite mee? Ik ben nu de berg van hulp vragen al meerdere keren beklommen. Wat blijkt, als je boven op die berg staat, is het helemaal niet zo zwaar en is de uitkomst (eigenlijk) altijd fijn en warm. Een voorbeeld? Mijn moeder streek altijd voor me, maar ging een maand op vakantie. Een vrouw uit onze kerk had al een paar keer gezegd dat ze gerust ergens mee wilde helpen. Met een aarzelende woorden, een brok in mijn keel en tranen in mijn ogen stuurde ik een mailtje met of ze misschien heel misschien eventueel een keer voor me zou willen strijken… Haar reactie? Lieve schat! Natuurlijk ik kom het vanavond even ophalen. Slik. Daar zat ik dan snotterend boven op mijn berg… die ineens niet zo groot meer was. Mocht jij nou iemand zijn die graag wilt helpen, maar niet goed weet hoe. Ik heb een paar tips voor je. Als je vraagt ‘Lukt het allemaal nog?’ is het antwoord waarschijnlijk iets als ‘Ja, hoor!’. Vraag eens wat die persoon nodig heeft. Maak het concreet. Bijvoorbeeld: ‘Lukt het strijken nog?’, ‘Hoe doe je het met boodschappen halen; ik ga morgen, zal ik wat meenemen?’, ‘Ik ga morgen met de auto naar school, zal ik je kinderen meenemen?’. Grote kans dat de persoon tegenover je toe zal geven het zwaar te hebben. Probeer je hulpaanbod zo praktisch mogelijk te maken, want (chronisch) zieke mensen willen zo veel mogelijk en zo lang mogelijk alles zelf doen. Je helpt ze al door het iets concreter te maken, waardoor hun berg iets minder groot wordt. Dus echt, lieve mensen, ik weet dat moeilijk is. Maar geloof me, als je aan de grond zit, zijn mensen zo blij dat ze je kunnen helpen. De berg die jij voor je ziet, is in werkelijkheid maar een drempel. En ja, daar moet je wel overheen. Wat mij betreft, vind ik het het mooiste dat ik dat niet alleen hoef te doen. Ik mag aan de hand van mijn hemelse Vader stapjes zetten. En als ik niet durf, moedigt Hij mij aan. Als ik struikel, zet Hij me weer op mijn voeten. Ben ik verdrietig, dan wist Hij mijn tranen…


Je ziek-zijn delen

Toen ik klachten kreeg, wilde ik het niet delen. Na een tijdje moest ik het wel delen in mijn naaste kring, want al snel werd ik gemist in de kerk en ook op mijn werk en dus moest ik vertellen dat het niet zo goed ging met me. Dat ik niet meer alles kon. Op het moment dat ik in de ziektewet belandde, besefte ik dat weinig mensen wisten wat er met me aan de hand was. Dat was mijn eigen schuld, want had ik niet de schone schijn opgehouden dat het allemaal wel goed ging. Niet zwak en zielig willen gevonden te worden. Is dat niet wat we allemaal willen? Sterk zijn. Ik kan het zelf wel. Stel je niet zo aan. Doorgaan. Maar waarom mogen we onze zwakheid niet laten zien? Iets wat mij erg bezig heeft gehouden. In de Bijbel staat zelfs dat in onze zwakheid, Gods kracht zichtbaar wordt. Dus misschien wel een mooie reden om je zwakheid in bepaalde mate te laten zien, zodat God daar op Zijn manier doorheen kan werken. Er ging een knop om en ik besloot het te delen. Eerst mondjesmaat, maar na verloop van tijd ook door een berichtje in het kerkblad. Steeds meer berichtjes op mijn eigen blog en sociale media kanalen gingen over het ziek-zijn. Toen ik al een tijd in de ziektewet zat, besloot ik zelfs een brief te schrijven aan mijn collega’s en die kreeg een plekje in de kantine. Wat vond ik het ontzettend moeilijk. Zo kwetsbaar zijn. Je zo kwetsbaar opstellen. Tegelijk is het tof om te zien wat het teweegbrengt, want ineens snappen mensen wat er met je is en groot voordeel: je hoeft niet steeds van alles uit te leggen. Als jij niet ziek bent, maar aan de andere kant staat, dan wil ik je aanmoedigen. Luister, lees en leef mee! Vaak wil iemand alleen zijn verhaal kwijt en heeft die weinig aan verhalen van je tante van de buurvrouw die zo’n goede therapeut heeft. Heel lief bedoeld. Maar de zieke wil zich begrepen voelen. Dus laat zijn of haar gevoelens staan en vraag wat die persoon nodig heeft. Vaak is luisteren en er zijn al genoeg. Ben jij ziek, op welke manier dan ook? Durf het te vertellen! Je zult merken dat je op veel begrip stuit. Wees niet bang voor medelijden, maar stel je open voor medeleven. Mij heeft het veel goeds gebracht – en veel lieve kaarten in de bus. Wees sterk in je zwakheid!


Wachten

Na een lang traject van pijn en fysio en doorploeteren, diagnoses en onderzoeken, kreeg ik half maart de uitslag en mijn behandelplan. En die viel tegen. Heel erg tegen. De intensiteit ervan overviel me… vloog me eigenlijk een beetje aan. Achttien weken zou het traject gaan duren en elke week zou ik twee tot drie keer naar het centrum moeten voor verschillende tijdsduren en verschillende behandelingen. Soms een half uur en andere dagen bijna vier uur. Zwaar en pittig! Maar goed, wat moet dat moet en ik zou ervoor gaan. Ik was strijdvaardig en er helemaal klaar voor – en mee. Maar net toen alles was bezonken en ik er vrede mee had, kwam er teleurstellend nieuws: ik zou nog twee maanden moeten wachten voor ik aan de slag mocht gaan. Ik snapte het niet en aan de telefoon stamelde ik dat ook uit. Alles had erop geleken dat ik snel kon starten. Hoe kon dit nu? Nog twee maanden langer met pijn iedere dag. Nog twee maanden langer mijn leven op pauze. Nog twee maanden! Toen ik even daarna een face-to-facebespreking had, werd me een excuus aangeboden; het was niet duidelijk gecommuniceerd. Het was ontzettend druk en ze deden hun best de juiste therapeuten op de juiste patiënten te zetten. Natuurlijk zag ik daar de noodzaak van in, maar oef, wat viel dit tegen. Ik voelde me uit het veld geslagen. Inmiddels zat ik bijna drie maanden in de ziektewet en dat zou dus nog veel langer gaan worden. De daaropvolgende weken bestonden vooral uit wachten en alsof dat nog niet genoeg was, kreeg ik een stevige keelontsteking en vervolgens mijn man. En daarmee doofde het kleine vlammetje hoop weer. Hoe moesten we dit zien te redden? Maar met hulp en m’n kiezen op elkaar kwamen we erdoorheen. Weken verstreken en toen ineens werd het lente. De zon ging schijnen en de wereld werd weer wat lichter! De bomen liepen uit, prachtige bloesems waren te zien en de zon nam in kracht toe. Deze periode nam ik me voor ook veel te rusten. Dus ik was geregeld te vinden in een luie stoel in de zon. Heerlijk! Die extra vitamine D mocht komen. Terwijl ik genoot van de zon en de uitlopende natuur, mijmerde ik over Gods geweldige schepping. Ik liep door de tuin en zag dat onze appelboom al knoppen kreeg, miniknopjes in de framboos en fluweelzachte blaadjes aan alle bomen en struiken. En ik besefte: na elke winter, komt weer een lente. Ook na die van mij.


Ik ga je doorsturen

‘Ik ga je doorsturen.’ Die vier woorden wilde ik niet horen, maar ze klonken toch begin februari. Ontzet keek ik mijn fysio aan. Ik stotterde nog een beetje en zei: ‘Maar we zouden pas half februari verder kijken.’ Alsof één week nog zo veel verandering zou kunnen brengen. Nee, dat dat niet kon, besefte ik zelf eigenlijk ook wel. De huisarts had me al eerder doorverwezen naar een revalidatiecentrum, voor het geval dat. Als dan half februari besloten zou worden dat ik doorgestuurd moest worden, zat ik vast in het systeem. Toen wilde ik daar niets van weten, maar op het moment dat de woorden bij de fysiotherapeut vielen, was ik toch blij met zijn besluit destijds, want nu hoefde ik slechts twee weken te wachten op mijn eerste gesprek in het revalidatiecentrum. Als de huisarts mijn naam niet eerder had doorgegeven, had er zeker weer een maand tussen gezeten. Maar ik kon het niet helpen dat alles binnen in me tegen dit besluit verzette. Ik wilde dit niet! Ik wilde niet naar weer een nieuwe fysio, weer opnieuw mijn verhaal vertellen, weer – letterlijk – mezelf blootgeven aan een onbekende therapeut. Toen dat allemaal door mijn hoofd ging, kon ik de tranen niet meer tegenhouden; ik voelde me zo ellendig. Het voelde alsof ik niet sterk genoeg was. Dat ik het niet goed gedaan had. Gelukkig was daar mijn fysio die me liet uithuilen en me rustig uitlegde dat het niet aan mijn inzet lag. Diep vanbinnen wist ik dat ze gelijk had, maar toch… Ik wilde dit niet. Deze stap ‘vooruit’ voelde als eentje achteruit. De twee weken dat ik moest wachten, was ik zenuwachtig, boos, teleurgesteld en verdrietig. De afspraak bij het revalidatiecentrum die al stond gepland, kwam snel dichterbij en ik vond het zo spannend! De eerste pre-intake vond eind februari plaats en duurde een uur. Wat een vragen werden er op me afgevuurd. De eerste indruk was goed, fijn en veilig. Ik kreeg groen licht om door te gaan voor de ‘echte’ intake. Raar om dan opluchting te voelen, omdat je ‘slecht genoeg’ bent voor een revalidatiecentrum… De weken erna waren een soort rollercoaster die niet leek te stoppen. Een gesprek met de revalidatiearts volgde en tussendoor mocht ik me nog een keertje melden bij de bedrijfsarts, de normale fysio liep ook door en dan was er nog contact met de huisarts. En dan als laatste het multidisciplinair intake. Die afspraak duurde ruim drie uur. Eerst had ik een intake met een fysiotherapeut, bewegingswetenschapper en een psycholoog. Daarnaast wachtte er nog een stapel lijsten met duizend-en-een vragen om in te vullen. Gesloopt was ik die dag. Lichamelijk en geestelijk compleet van de kaart. Zo veel gezegd, zo veel gevraagd, zo veel nagedacht. Het duizelde me… En steeds die ene confronterende vraag: wat wil je dat ik doe voor je? Met mijn steevaste antwoord: ‘Beter maken.’ Garanties gaven ze niet; ik zou aan doelen gaan werken. Dat trof doel, want ik wilde weer helemaal mezelf zijn, maar tegelijk vreesde ik dat dat niet zou gaan lukken. Vervolgens was het afwachten op de uitslag en de tussenliggende tijd was ik gespannen, voelde ik me beroerd, was bang en wilde weten waar ik aan toe was. Diep vanbinnen wist ik dat God erbij was, maar soms voelde Hij zo mijlenver weg! Gelukkig was er dan de muziek, die me meenam – vanuit mijn diepte naar de aanbidding en weten dat Hij voor mij zou zorgen!